Een soepel gesprek vereist ritmegevoel

Taalkunde

Als mensen in een tweegesprek bij het antwoorden inhaken op het ritme van de ander, verloopt de conversatie soepeler.

In een goed gesprek stemmen mensen het ritme van spreken op elkaar af. Illustratie CSA Images

Een gesprek verloopt het prettigst, als degene die reageert op wat de ander zegt, meelift op het „ritme" van wat de ander net gezegd heeft. Taalkundige Anne van Leeuwen toont dit aan in onderzoek waarop ze vrijdag promoveert aan de Universiteit Utrecht.

Gesproken Nederlands heeft een ritme. Sommige lettergrepen zijn beklemtoond, andere zijn onbeklemtoond. Wat de „tel” is in de muziek, dat zijn de beklemtoonde lettergrepen in de spraak. De afwisseling van beklemtoond en onbeklemtoond levert normaal gesproken een onregelmatig ritme op, want de ene keer volgen beklemtoonde lettergrepen elkaar meteen op, en de andere keer liggen er één, twee of drie onbeklemtoonde lettergrepen tussen.

Ritmepatroon

Echter, als mensen een gesprek hebben met elkaar, zie je vaak dat degene die aan het woord is, aan het eind van zijn „beurt”, bijvoorbeeld wanneer hij een vraag stelt aan de ander, het ritme in wat hij zegt regelmatig maakt: de laatste drie beklemtoonde lettergrepen liggen dan ongeveer even ver van elkaar vandaan. Vervolgens zien we dat de andere spreker zijn bijdrage aan het gesprek vaak zó begint dat zíjn eerste beklemtoonde lettergreep precies in het verlengde ligt van dat ritmepatroon.

Spreker 1 sluit bijvoorbeeld af met „wat vind jij daarvan?”. Spreker 2 begint zijn reactie met „o, nou (etcetera)”. De accenten liggen dan als volgt: „wát vínd jíj daarván?”, „ó, nóu...”. De afstand tussen „ó” en „ván” zal in een goed lopend gesprek vaak even groot zijn als de afstand tussen „jíj” en „-ván”. Of twee keer zo groot, dat gebeurt ook veel: in dat geval slaat spreker 2 als het ware de eerste tel over, om op de tweede tel te beginnen.

Nonsens-spraak

In de experimenten die Anne van Leeuwen deed, moesten proefpersonen luisteren naar mini-dialoogjes. Die waren niet in het Nederlands, maar in „synthetische, gefilterde nonsens-spraak”. Nonsens-spraak ziet er zo uit: „Piefnófdie wábo hiftíeda nofmónem." Als de computer dat op een bepaalde manier filtert, blijft er een signaal over, waarin je niet meer kunt onderscheiden om welke medeklinkers en klinkers het precies gaat. Maar wel hoor je nog precies de lettergrepenstructuur, de intonatie, het ritme en waar de pauzes vallen. Dat gefilterde signaal klinkt ongeveer zoals een gesprek klinkt bij de buren in een matig tot slecht geïsoleerd rijtjeshuis. Je hoort niet wát ze zeggen, maar wel hóé ze met elkaar praten (ingetogen, of uitbundig, of ruziënd).

De proefpersonen moesten naar de gefilterde mini-dialoogjes luisteren, en telkens een oordeel geven over de sfeer van die gesprekjes. Was er sprake van nabijheid en verbondenheid dan wel van een emotionele afstand tussen de beide gesprekspartners?

Wanneer spreker 2 netjes voortborduurde op het ritme van spreker 1, werd een dialoogje eerder geïnterpreteerd als een gesprekje tussen mensen die emotioneel dicht bij elkaar staan: vrienden bijvoorbeeld, of collega's die het goed met elkaar kunnen vinden.

De mens is geprogrammeerd om regelmatige ritmes prettig te vinden

Conclusie: als spreker 2 begint op de „beat” van spreker 1, wordt het gesprek als prettiger ervaren. Van Leeuwen: „Ik heb de indruk dat wij erop geprogrammeerd zijn om regelmatige ritmes prettig te vinden. We vinden het fijn om naar een tikkende klok te luisteren: heel voorspelbaar, heel regelmatig. We kunnen heel goed ritmisch afstemmen op elkaar, al van jongs af aan. Zo kunnen we beter met elkaar samenwerken. Zingen, dansen, musiceren. Maar je gebruikt dat vermogen ook als je samen een zwaar voorwerp moet optillen.”

Met elkaar praten, en vooral ook niet tegelijk, maar om de beurt, is samenwerken. Ook daar helpt een gezamenlijk ritme blijkbaar.