De nieuwe inrichting van het Stedelijk Museum, met op de grote foto links, vooraan de maquette.

‘Je kunt focussen op meerdere beelden tegelijk’

Rem Koolhaas

Architect Rem Koolhaas ontwierp de nieuwe opstelling van de vaste collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam. „Er is ruimte genoeg voor verschillende stemmingen en condities.”

Het is veel, overdonderend veel, wat er aan kunstwerken in de kelderzaal van het Stedelijk Museum bijeen is gebracht. De nieuwe vaste opstelling, die dit weekeinde opent onder de naam Stedelijk Base, telt zo’n zevenhonderd topstukken uit de periode 1880 tot nu. Opeengepakt hangen ze rondom aan de muren, de vertrouwde schilderijen van Breitner, Malevitsj, Picasso en Newman, maar ook stoelen van Eames en een klok van Berlage – als een rijk geïllustreerde tijdlijn. Op schots en scheef in de ruimte geplaatste stalen wanden zijn nog meer rijkdommen uit de collectie uitgestald. Foto’s, video’s, affiches en kleurrijke stoffen schreeuwen om aandacht. Het is alsof je langs de etalages in een drukke stad loopt. Het is te veel om het allemaal in één keer in je op te nemen.

De man die verantwoordelijk is voor de nieuwe inrichting, architect Rem Koolhaas (1944), staat bij de ingang van de zaal naast een maquette van precies dezelfde ruimte – een grappig droste-effect. Hij wijst naar de Mondriaans en Schoonhovens die op postzegelformaat in de maquette hangen. „Op de muur rondom is er een chronologie, in tijdvakken van steeds tien jaar.” En hier, zegt hij, doelend op de schuine wanden op het middenterrein, „maken we thematische clusters van werken. Die zou je kunnen zien als wijken, straten of pleinen. Er is geen eenduidige looprichting. Je kunt erdoorheen dwalen, zoals in een stad, en zelf associaties maken.”

Lees ook de recensie: Nieuwe inrichting Stedelijk lijkt wel een uitdragerij

Zoals het een echte stad betaamt, heeft Stedelijk Base ook een uitzichtpunt. In een van de hoeken van de zaal is de slaapkamer te vinden die Gerrit Rietveld in 1926 voor de Amsterdamse kinderarts Rein Harrenstein ontwierp. Die Harrenstein-kamer heeft nu een dakterras gekregen, vanwaar je de buurten en steegjes van de stad kunt overzien. In de straten zie je politieke affiches hangen naast expressionistische schilderijen van Ernst Ludwig Kirchner en Paula Modersohn-Becker. Die mix van toegepaste en autonome kunst is wat Stedelijk Base kenmerkt: dat was in het museum nog nooit op zo’n grote schaal gedaan.

Verbaasd inspecteert Koolhaas de sculptuur La Montserrat (1935) van de Spaanse kunstenaar Julio González die net geplaatst is in de wijk die ook ruimte biedt aan de Amsterdamse School. De eenvoudige boerenvrouw, gemaakt van gesmeed ijzer, staat er als een monument op een stadsplein – een vrouwelijke versie van de Dokwerker. „We kunnen wel doen alsof we het zo gepland hebben”, lacht Koolhaas. „Maar dit is een gelukkig toeval, zo mooi als dat beeld daar past.”

Koolhaas ontwikkelde zijn concept in nauw overleg met voormalig Stedelijk-directeur Beatrix Ruf. Het was haar idee om de vaste collectie in de nieuwe vleugel van het museum te exposeren en de wisselende tentoonstellingen in de oudbouw. Stedelijk Base moest het sluitstuk worden van haar baanbrekende visie. Dat zij in oktober voortijdig moest afhaken, noemt Koolhaas „een absolute ramp”. Maar ze hebben nog regelmatig contact, vertelt hij. „Ik wil zeker weten dat wat we doen ook haar goedkeuring heeft.”

Ruf had het vaak over de metafoor van het internet wanneer ze praatte over haar idee om de verschillende kunstdisciplines te mengen in één vaste presentatie. Zoals je op internet ook al surfend allerlei zijpaden inslaat, zo kun je in deze opstelling ook dwarsverbanden leggen. Beelden, schilderijen, foto’s of gebruiksvoorwerpen – alles is even belangrijk. ‘Post-medium’, noemde Ruf die non-hiërarchische manier van presenteren.

De bouw van het displaysysteem heeft anderhalf miljoen euro gekost. Structurele verbetering van de zaal, waaronder een nieuw plafond en verlichting, kostten nog eens 800.000 euro. De totale kosten van Stedelijk Base, inclusief de inrichting van de tentoonstelling, zijn daarmee op bijna 2,9 miljoen euro gekomen, zo’n 2 miljoen meer dan was aangekondigd.

Foto Lars van de Brink

Is deze opstelling bedoeld voor een nieuwe generatie museumbezoekers?

Koolhaas: „De presentatie gaat wel uit van een nieuw soort museumbezoeker, jong of oud, die gewend is te focussen op meerdere beelden tegelijk en die daardoor gestimuleerd wordt in plaats van afgeleid. Wat ik interessant vind, is dat je dit echt alleen in het Stedelijk kunt doen. De collectie kenmerkt zich door de zeer persoonlijke voorkeuren van de opeenvolgende directeuren, maar ook door de diepte van verzamelen op verschillende deelgebieden, zoals meubels, affiches, nieuwe media. De Nederlanders beseffen vaak niet hoe uniek het Stedelijk daarin is.”

Het lijkt zo logisch om kunst en design op deze manier te combineren, dat je je afvraagt waarom het niet eerder gedaan is.

„Je ziet het ook wel in andere musea, en soms komt het heel gemaakt over. Dat het hier zo goed werkt, komt ook door de schaal van deze zaal. Daardoor is er ruimte genoeg voor verschillende stemmingen en condities.

„In onze presentatie vertellen de kunstwerken zelf het verhaal. Het mooie is dat we geen televisiebeelden nodig hebben om aan te geven wat er in een bepaalde tijd gebeurde, maar dat we de kunst zelf daarvoor mobiliseren. Het zijn de verbindingen tussen de verschillende stukken uit de collectie die zorgen voor die historische context. Je merkt aan de werken dat het oorlog wordt. Dat is de clue.”

U heeft onderzoek gedaan naar de manier waarop kunst in het verleden in het Stedelijk tentoongesteld werd. Vond u daar inspiratie? Ik denk aan de gesloopte Sandbergvleugel, dat was ook zo’n grote ruimte zonder muren.

„Jazeker. Op een bepaalde manier is deze ruimte daarmee vergelijkbaar. Maar die gelijkenis heb ik pas recent gezien. In de Sandbergvleugel moest ook voor iedere tentoonstelling een nieuw presentatiesysteem gemaakt worden. En vaak gebeurde dat ook met dunne wanden. We zijn er niet direct door geïnspireerd, maar waarschijnlijk wel onbewust. De uitdaging van zo’n grote ondergrondse ruimte is wel heel specifiek, ik ken geen ander museum dat dat heeft.”

Voor de museumbezoeker die gewend is om de schilderijen te zien in lege witte ruimtes, is dit wel even wennen. Betekent dit het einde van de white cube?

„Deze zaal is nog steeds een witte kubus, zij het een grote. Mijn presentatie toont wat je kunt doen binnen een white cube.”

De opstelling is vol en druk. Dachten jullie aan wat de kunstenaars er zelf van zouden vinden? Mark Rothko hing zijn werk het liefst in kapelachtige ruimtes, waar de toeschouwer alleen was met zijn kunst. Hier hangt de Rothko in een hoek, tussen Pollock en De Kooning.

„We hebben juist geprobeerd om die individuele focus mogelijk te maken. De hoek waar de werken van Rothko en De Kooning hangen, gaat denk ik goed werken als een introvert moment. In een tijd waarin musea steeds meer bezoekers moeten trekken, heeft zo’n individueel moment met een kunstwerk juist zijn waarde. Er zijn in deze nieuwe opstelling daarom wel degelijk intieme momenten.”

Foto Lars van de Brink

De wanden die u heeft ontworpen zijn vrij sober in de kleuren wit en grijs gehouden. Waarom?

„Het grijs is gewoon de kleur van het metaal, en het wit is het wit van het Stedelijk. Soms lijken dingen beslissingen, maar is het eigenlijk domweg toeval. De wanden zijn met laser uitgesneden, zodat je nergens moeren of bouten ziet. Alle verbindingen en koppelingen zitten als onzichtbare puzzelstukjes in elkaar. Dankzij de geavanceerde computertechniek krijg je een precisie die vijf jaar geleden niet mogelijk was. Er is precies berekend onder welke hoeken de constructie zo stabiel mogelijk is. Er moet een bezoeker tegen de muur kunnen leunen zonder dat die omvalt, of zelfs maar trilt.”

Er is ophef over de hoge kosten van het nieuwe plafond en verlichting. Was dat uw wens, een ander plafond?

„Nee, dat wilde het museum. Dat was al besloten voordat wij erbij kwamen.”

Vindt u het vervelend, al die aandacht voor de uit de hand gelopen kosten?

„Ik zou graag willen benadrukken hoe het creatieve proces werkt. Er is een ambitie, die ambitie wordt door ons bureau verbeeld in een ontwerp. Dat plan wordt vervolgens gesteund door het museum. Dan wordt er een partij gevonden die het kan maken, in dit geval Tata Steel Nederland. Het blijkt ook nog betaalbaar. Wat mij betreft is dit hoe het creatieve proces op zijn best werkt en kan slagen. Maar intussen hebben we te maken gekregen met een ongelofelijke hoeveelheid scepsis.”

    • Sandra Smallenburg