Het ‘kasteeltje’ van componist Diepenbrock wordt afgebroken

Muziekgeschiedenis

Het huis van Alphons Diepenbrock, de meest gevierde Nederlandse componist van begin vorige eeuw, wordt gesloopt. „Nederlandse muziekgeschiedenis verdwijnt.”

Voormalig woonhuis van Alphons Diepenbrock aan de Johannes Verhulststraat 89 in Amsterdam. ‘Thea [Diepenbrock] voor het Atelier op het dakterras van de Johannes Verhulststraat 89.’ Foto Roger Cremers en Collectie Odilia Vermeulen

‘Zelfs de status van jong monument kan het kasteeltje hoog op het dak van de Johannes Verhulststraat 89 niet redden”, zegt Florian Diepenbrock, kleinzoon van de vooraanstaande Amsterdamse componist Alphons Diepenbrock. Dit ‘kasteeltje’ is in werkelijkheid het Castellinarium, een sjieke benaming voor een bescheiden muziekzaal op het dak van de vierde verdieping aan de Verhulststraat.

In de jaren dertig liet de vrouw van Diepenbrock, Elsa de Jong van Beek, het kasteeltje bouwen voor hun muziekminnende dochters. Joanna was mezzosopraan en Thea pianiste. Hier konden ze naar hartelust repeteren en huisconcerten geven. Tijdens de oorlog vonden er clandestiene muziekuitvoeringen plaats en lezingen, onder andere door Martinus Nijhoff, Jan Engelman en Adriaan Roland Holst.

Nu wordt het vijf verdiepingen tellende pand door de huidige eigenaar volledig gerenoveerd en het Castellinarium afgebroken. In het benedenhuis klinken al de pneumatische boormachines. Overal staan verhuisdozen. Kalk bladdert van de plafonds. Met deze grootscheepse modernisering gaat belangrijke muziek- en cultuurhistorie verloren.

Foto Roger Cremers en Collectie Odilia Vermeulen

Ook het Cuypersgenootschap heeft geprobeerd het muziekpaleisje voor sloop te behoeden, maar het Stadsdeel Oud-Zuid heeft dit verzoek tot monument niet ingewilligd. Diepenbrock: „In 1901 kwam Alphons Diepenbrock hier wonen en sindsdien is er niets veranderd, 116 jaar lang niet. Destijds betaalde Diepenbrock 36,50 gulden huur per maand. Naar verluidt dwarrelde er eens een handgeschreven sonnet van Willem Kloos door de keuken.”

Dienstmeid

Het bovenhuis met zijn rijke verleden telt drie verdiepingen, inclusief het kasteeltje. De werkkamer van de componist is nog steeds als een eeuw geleden: donkere gordijnen voor de ramen, een houten bureau en kasten vol partituren, boeken, documenten, manuscripten. Kleinzoon Diepenbrock wijst op een klein ornament vlak naast het trappenhuis: dit is de spreekbuis, het Sprechrohr, waarmee dienstmeid Koosje sprak met degene die buiten aanschelde. Door deze buis klonken de stemmen van Gustav Mahler, Matthijs Vermeulen, Willem Mengelberg en vele anderen. Nadat Koosje had gevraagd wie zich aandiende, riep ze de componist of ze nam een brief of partituur in ontvangst. Koosje zelf bracht haar werkzame leven in dienst van de Diepenbrocks door in een kleine zolderkamer.

Vijf generaties van de familie Diepenbrock woonden hier. Het is ook het huis waar een vurige, geheime romance begon tussen Diepenbrocks vrouw Elsa en muziekcriticus en componist Matthijs Vermeulen. In de roman Het grote zwijgen (2011) van Erik Menkveld kunnen we alles over deze gepassioneerde liaison lezen en ook het latere vervolg erop: dochter Thea trouwde met Vermeulen. De dubbelbiografie Cécile en Elsa. Strijdbare freules (2015) van Elisabeth Leijnse geeft een beeld van twee onafhankelijke, zelfstandige zusters en hun familiegeschiedenis. Joanna, zus van Thea, kreeg een verhouding met de dichter Jan Engelman, maar ze bleven apart wonen: zij in Amsterdam, hij in Utrecht. Dat was zeer modern voor die tijd. Engelman is de vader van Florian Diepenbrock.

Foto Roger Cremers en Collectie Odilia Vermeulen
Foto Roger Cremers en Collectie Odilia Vermeulen

Met de renovatie verdwijnt het decor van deze boeken. „En ook een eeuw Nederlandse muziekgeschiedenis”, vult Florian Diepenbrock aan. „Door de woningnood van na de oorlog verbleven in dit huis veel pianisten en andere instrumentalisten, liefdevol door mijn moeder Joanna opgenomen. Het ligt natuurlijk vlak bij het Concertgebouw. In elke kamer klonk wel een muziekinstrument, het was een ware kakofonie van zang, piano, cello, viool.”

Nog net op tijd brengen we een bezoek aan het Castellinarium. Het is gebouwd door de Amsterdamse architect Philip Warners die bekendheid geniet als een van de ontwerpers van de Amsterdamse School. Omdat het kasteeltje zo hoog ligt, besloot Warners het in trapeziumvorm te bouwen. Dankzij deze stroomlijning was het minder gevoelig voor de wind. „Mijn moeder vertelde weleens”, zegt Florian Diepenbrock, „dat het kasteeltje bij harde storm vervaarlijk kon schudden, alsof het als een schip lag op woelige zee.” Op de dichtgeslagen klep van de vleugel ligt het gastenboek uit de oorlog. Het eerste concert dat clandestien werd gegeven was op 30 december 1941 en pas diep in de hongerwinter van 1944 was er het laatste optreden. Vanaf dat moment werd het te gevaarlijk. Op het openingsprogramma stond Die schöne Müllerin van Schubert met tante Thea Diepenbrock aan de piano en Bertus van Lier als zanger. Nog steeds verbaast het Florian Diepenbrock dat iedereen frank en vrij zijn of haar naam in het boek schreef, aan het begin van de oorlog met vulpen, daarna met potlood. Onder de gasten bevonden zich veel joodse onderduikers. Ze namen geld, een handvol aardappelen, brood of wat groente mee, wat men kon missen. Kunstenaars die zich niet bij de Kultuurkamer aansloten kregen een opvoeringsverbod en misten daardoor inkomsten, onder wie de dochters Diepenbrock. De baten dankzij de concert- en toneelavonden lenigden de ergste nood. Het Castellinarium bood plaats aan zo’n 150 bezoekers; het was negen meter lang en vijf meter breed.

Foto Roger Cremers en Collectie Odilia Vermeulen

Afgezien van concerten vonden er ook lezingen plaats, onder meer door Roland Holst over de wortels van zijn dichterschap. Dichter Martinus Nijhoff had de militaire rang van genieofficier en was als dynamietdeskundige betrokken bij de aanslag op het bevolkingsregister van 27 maart 1943. Hij werd door de Duitse bezetter gezocht. Desalniettemin las Nijhoff op 10 juni van dat jaar in het kasteeltje een nieuw werk van hem voor, Pinksterspel. Theaterkenner Ben Albach schreef in zijn dagboek over die avond: „Gedistingeerd kunstenaarspubliek. Sfeer eerst wat precieus. Wat later wat ongedwongener.”

Een deur in de voorkant van het Castellinarium geeft toegang tot het dak. Dit was de vluchtweg voor de bezoekers van de geheime kunstavonden, memoreert Florian Diepenbrock. Hij opent de deur en we staan buiten, in de avond boven Amsterdam. Wat een cultureel gemis dat deze ontmoetingsplek voor muziek en poëzie binnenkort weggebroken is.

    • Kester Freriks