Groei aantal vrouwelijke hoogleraren gaat traag

Diversiteit

Onder hoogleraren blijven vrouwen nog steeds sterk in de minderheid, ondanks goede voornemens.

Een Utrechtse hoogleraar bij de opening van het academisch jaar. Foto SANDER KONING/ANP

Het aandeel vrouwelijke hoogleraren aan de Nederlandse universiteiten is in 2016 met iets meer dan 1 procentpunt gestegen vergeleken met een jaar eerder, en bedraagt nu 19 procent. Bij de universitair medische centra (umc’s) is de stijging procentueel vergelijkbaar. Het aandeel vrouwelijke hoogleraren ligt daar wel iets hoger, op 22 procent.

De cijfers zijn dinsdag bekendgemaakt door het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren, dat een gelijke representatie van vrouwen en mannen in de wetenschap nastreeft. In het huidige tempo zal dat rond 2050 bereikt zijn.

Niet alleen in de wetenschap, ook in de politiek en het bedrijfsleven wordt gestreefd naar meer vrouwen in hogere posities. Om meerdere redenen. Het is anders een verspilling van talent en kapitaal. Door meer diversiteit worden problemen, of onderzoeksvragen, op verschillende manieren aangepakt. Het is ook onrechtvaardig als vrouwen minder kansen hebben dan mannen.

Weerbarstig

Maar in de wetenschap gaan de veranderingen langzaam. „De realiteit is weerbarstig”, zegt Hanneke Takkenberg, bijzonder hoogleraar thoraxchirurgie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, en sinds twee jaar chief diversity officer. Hetzelfde zeggen ook rector Arthur Mol van de Wageningen Universiteit en Marion Stolp, directeur human resources van de Rijksuniversiteit Groningen.

Alle drie vertellen ze dat hun universiteit sinds een paar jaar speciaal beleid heeft om het aandeel vrouwen in de wetenschap te vergroten. Het gaat om bewustwording, aanpassing van procedures zoals aanstellingen en versterken van netwerken voor vrouwen.

Vooroordelen zitten diep, zegt Takkenberg. „We hebben er allemaal last van, want we krijgen ze met de paplepel ingegoten: mannen worden brandweerman en vrouwen zijn zorgzaam.” Ze haalt een Amerikaans onderzoek aan, vijf jaar geleden gepubliceerd in het tijdschrift PNAS. 127 hoogleraren in de biologie, chemie of natuurkunde (waarvan 63 man en 64 vrouw) moesten sollicitaties beoordelen voor een vacature van laboratoriummanager. Zowel de vrouwelijke als de mannelijke hoogleraren achtten vrouwelijke sollicitanten gemiddeld minder bekwaam, en ze kenden ze een lager startsalaris en minder begeleiding toe.

Stolp, van de Rijksuniversiteit Groningen, zegt dat alle faculteitsbesturen een cursus over vooroordelen hebben moeten volgen. „Dat heeft decanen wel de ogen geopend.” In Groningen worden vrouwen nu ook anders geworven. Stolp: „Je moet niet altijd afwachten tot ze zich aanmelden, want ze achten zich minder snel capabel.” Vrouwen worden nu vaker benaderd.

Groningen werft sinds 2003 talentvolle, gepromoveerde vrouwelijke onderzoekers, via de Rosalin Franklin Fellowship. Het zijn er inmiddels zo’n honderd. In tien jaar tijd groeien ze door tot hoogleraar. Toch is in Groningen het aandeel vrouwelijke hoogleraren in 2016 gedaald – van de andere universiteiten was dat ook bij de Universiteit Twente het geval. Uit cijfers van de VSNU blijkt dat er in Groningen in de loop van 2016 negen nieuwe leerstoelen bij zijn gekomen, en allemaal zijn ze bezet door mannen. Volgens Stolp is het een tijdelijke dip.

In Wageningen speelt mee dat het aantal leerstoelen is gecapt op 93, zegt rector Mol. „Als je het aandeel vrouwelijke hoogleraren alleen kunt laten groeien via de vervanging van vrijkomende leerstoelen, schiet het niet echt op.” Zo vertrekken er de komende vier jaar elf mannelijke leerstoelhouders. Daarom heeft Wageningen de functie van persoonlijk hoogleraar ingesteld. Door die categorie groeit het aandeel vrouwen nu sneller. Maar het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren telt ze niet mee, omdat het volgens de functieprofielen van de VSNU geen hoogleraren zijn, maar universitair hoofddocenten (UHD’s).

Takkenberg, Mol en Stolp gaan er alle drie van uit het streefcijfer voor 2020 te halen. Daarbij helpt de toezegging van 5 miljoen euro voor de aanstelling van 100 extra vrouwelijke hoogleraren, begin dit jaar gedaan door toenmalig minister Jet Bussemaker (Wetenschap, PvdA). „De boeggolf aan vrouwelijke hoogleraren komt er wel aan”, zegt Mol.

Toch is het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren niet gerust op de aanvoer van talent. In zijn monitor constateert het netwerk een afname van het aandeel vrouwen onder promovendi, sinds 2011. Dat aandeel is van 46 procent gezakt tot 43 procent in 2016. De oorzaak is niet bekend.

Correctie (13 december 2017): In een eerdere versie van dit artikel stond geen streefcijfer van de Open Universiteit ingevuld. Dat percentage is later toegevoegd.

    • Marcel aan de Brugh