Recensie

Eigenlijk hebben Photoshop en Instagram het een beetje verpest voor de Romantiek

In het Groninger Museum blijkt dat ons idee van schilderachtigheid door de schilders van de Romantiek is geijkt. Jammer dat we er zo aan gewend zijn geraakt.

Wijnand Nuijen, Schipbreuk op een rotsachtige kust, ca. 1837. Olieverf op doek, 154 x 206 cm. Rijksmuseum, Amsterdam. Foto Frans Pegt

De Romantiek als periode of stroming is, althans in de schilderkunst, een problematisch concept. Bij iedere Romantiek-tentoonstelling wordt in de catalogus weer uitvoerig geëssayeerd over wat er de kenmerken van zouden zijn, maar tot een eenduidige omschrijving leidt dat nooit. In het lijvige boek bij De Romantiek in het Noorden in het Groninger Museum schrijft kunsthistoricus Werner Busch ‘dat romantiek vele uitingsvormen kent, die elkaar soms tegenspreken’.

Zijn vakgenoot David Jackson heeft het over ‘de dubbele helix van de Romantiek (...), waarbij één streng het gevoel of de zintuiglijkheid (het fenomenale) vertegenwoordigt en de andere de rede (het noumenale). Beide zijn altijd in meer of mindere mate aanwezig, hetzij concurrerend, hetzij complementair.’ Hetzelfde kun je beweren over veel andere kunst, en trouwens ook over het leven zelf. Die catalogus kunt u ongelezen laten. Maar de tentoonstelling verdient een bezoek.

Wie zich de beroemdste romantische schilderijen voor de geest haalt – de eenzame wandelaar boven de mist van Caspar David Friedrich bijvoorbeeld, of de kolkende verflandschappen van Joseph Mallord William Turner – voelt intuïtief wel ongeveer aan wat er onder romantische landschapschilderkunst wordt verstaan. Rotskusten, vulkaanuitbarstingen, ruïnes, oude eiken en watervallen. Storm, mist en maanlicht. De periode: ongeveer van 1790 tot 1850.

Zoals Friedrich in Duitsland en Turner in Engeland was er in Nederland eigenlijk niemand. Andreas Schelfhout en Barend Cornelis Koekkoek schilderden geweldige landschappen, maar vergeleken met die van de grote jongens in het buitenland zijn ze toch wat knus. Weinig stormachtig of mysterieus.

We hebben hier misschien maar één echt romantisch meesterstuk, dat kan wedijveren met het beste buitenlandse werk, en dat is Schipbreuk op een rotsachtige kust (ca. 1837) van Wijnand Nuijen in het Rijksmuseum. Nuijen zette hoog in, met de onvoorwaardelijke intensiteit van een adolescent, en hield het vol tot in de verste uithoeken van het schilderij. Hij had een Nederlandse Friedrich of Turner kunnen worden, maar overleed al op zijn zesentwintigste.

De tentoonstelling in Groningen nodigt uit tot zulke internationale vergelijkingen. De landschappen van Nuijen, Koekkoek, Schelfhout en elf andere Nederlandse schilders worden er gepresenteerd tussen schilderijen van tijdgenoten uit Duitsland, Scandinavië en Groot-Brittannië. Zo’n grensoverschrijdend overzicht van de romantische landschapschilderkunst is niet eerder vertoond en het pakt erg mooi uit.

Waar je de zware, schemerige schilderijen van Friedrich (in Groningen hangen er negen) eerst nooit aan de kalme Hollandse dorps- en stadsgezichten van Jan Weissenbruch kreeg vastgedacht, worden ze nu verbonden door de heldere landschappen van sommige Scandinaviërs. En de combinatie van drie landschappen met boerderijen van de Deen Jens Juel, de Nederlander Wouter van Troostwijk en de Engelsman John Constable maakt ineens duidelijk dat die kunstenaars verwant waren, al kenden ze elkaar waarschijnlijk niet. Er hing wel degelijk iets in de lucht, dat zich weinig van landsgrenzen aantrok. Je kunt het naamloos laten of Romantiek noemen.

Het heeft te maken met een (al dan niet religieus) ontzag van de kleine mens voor de grote natuur, en een reflectie op dat ontzag, waartoe de mens toch maar mooi in staat is. Romantici waren groot in het onderkennen van hun kleinheid – en ze wisten het. Met de stemming in een geschilderd landschap drukte de schilder iets van zijn eigen stemming uit.

Het vereist enig mentaal tijdreizen om je te kunnen voorstellen hoe veel indruk die geschilderde landschappen destijds maakten. Bij de wintergezichten van Koekkoek moet je latere kerstkaarten zien te vergeten. De bergtoppen en schuimkoppen van de Noor Peder Balke zijn maar moeilijk los te denken van de routineuze handigheid van televisieschilder Bob Ross.

En het grootste obstakel tussen ons en de Romantiek is misschien wel de fotografie geworden. Door de lawine van tweedimensionale landschappen die over ons heen komt – bureaubladafbeeldingen, reclames van reisorganisaties, vakantiefoto’s op sociale media – hebben hoge bergen en diepe dalen ons weinig meer te zeggen over de grootsheid van de natuur en de nietigheid van de mens. We liken de plaatjes, maar echt opzien baren ze niet meer, al zijn ze nog zo gefilterd en verscherpt en verhevigd.

Eigenlijk hebben Photoshop en Instagram het een beetje verpest voor de Romantiek. Terwijl: het hele idee dat je er af en toe uit moet, om buiten iets van je eigen binnenste te vinden, dat is daar en toen begonnen. Het Groninger Museum laat het zien.

    • Gijsbert van der Wal