Opinie

    • Maarten Schinkel

Een tijdbom onder een tevreden land

Het SCP-rapport van deze week laat een klassiek geval van Piketty zien: vermogen stijgt harder dan beschikbaar inkomen. Hoe lang kan kapitaal het blijven winnen van arbeid?

Goed nieuws van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP): er is kennelijk een groot verschil tussen de echokamers van de sociale media en de feitelijke situatie op de grond. Hoezeer de toon van het debat ook anders suggereert, Nederlanders zijn zeer tevreden. We wijken eigenlijk niet veel af van hoe we een kwart eeuw geleden over veel maatschappelijke zaken dachten. Maar wat dieper in het rapport van het SCP dat maandag werd gepubliceerd, is toch een onderschat maatschappelijk probleem te vinden. De inkomensontwikkeling in Nederland is namelijk vrij beroerd.

Tussen 1995 en 2017 steeg het volume van het bruto binnenlands product (dat goeddeels gelijke tred houdt met het nationaal inkomen) met zo’n 30 procent. Het SCP zet daar het netto beschikbaar inkomen per ‘equivalent huishouden’ tegenover, gecorrigeerd voor inflatie. Met die ‘equivalent’ wordt de verandering van het aantal huishoudens, vooral door de toename van het aantal alleenstaanden, gecorrigeerd.

Wat blijkt, en dat is eigenlijk onvoldoende naar buiten gekomen: het beschikbaar inkomen per huishouden steeg tussen 1995 en 2017 vrijwel niet. Geloof het of niet, het was in 2016 ongeveer even hoog als in 1997. Er was een piek rond de eeuwwisseling, en een vlak voor de crisis van 2008. Maar door een daling daarna, die pas de laatste tijd een beetje goed komt, is er per saldo vrijwel niets veranderd.

Nu berekent het SCP eveneens het ‘alternatief beschikbaar inkomen per equivalent huishouden’. Daarin zit ook het profijt dat de burger heeft van overheidsvoorzieningen, zoals onderwijs en gezondheidszorg. Het geeft een beter, en meer continu beeld van wat er aan de hand is. Dat bruto alternatief beschikbaar inkomen nam tussen 1995 en 2017 sterker toe, met ongeveer eenzesde. Maar ook dit houdt in de verste verte geen gelijke tred met het bbp of nationaal inkomen.

Het kapitaal wint en blijft winnen: inkomens blijven ver achter bij de economische groei

Nu staat of valt dit soort calculaties met definities en berekeningswijzen, met peiljaren en nog veel meer. Maar één belangrijke andere macro-economische grootheid geeft wel een aanwijzing dat het SCP hier beet heeft. Zoals bekend is vorig jaar een nieuwe berekeningswijze doorgevoerd van de zogenoemde arbeidsinkomensquote (aiq). Die geeft het percentage aan van het nationaal inkomen dat toevalt aan, ruw gezegd, de factor ‘arbeid’. Die aiq daalde van 0,81 in 1995 naar 0,73 in 2016.

Hier is een samenhang. De daling van de aiq is ongeveer even groot als het achterblijven van het alternatieve beschikbare inkomen bij de economische groei. Nogmaals: veel voetangels en klemmen hier. Maar dit is zeker geen toeval.

Het SCP behandelt ook de vermogens van Nederlanders, en concludeert dat die tussen 1997 en 2016 met 2,3 procent per jaar stegen. Veel meer dus dan het gemiddelde beschikbare inkomen per huishouden. Hier komen we bij een klassiek geval van Piketty. De vermogensgroei is hoger dan de inkomensgroei: wie veel vermogen heeft wint méér. De vermogensongelijkheid slaat vroeg of laat neer in grotere inkomensongelijkheid.

Dat maakt het SCP-rapport zo opmerkelijk. Enerzijds wordt een groter dan verwachte tevredenheid gemeten met de samenleving. Maar, wat dieper in het rapport, zit een tijdbom van groeiende inkomensongelijkheid verstopt. Hoe lang moet het inkomen achterblijven, hoe lang kan kapitaal het blijven winnen van arbeid? Misschien dat de huidige groeispurt van de economie veel kan rechttrekken. Maar wie zich afvraagt waarom de afschaffing van de dividendbelasting door Rutte III zo’n enorme ophef blijft veroorzaken, weet waar het antwoord ligt.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten

Correctie (13 december 2017): In een eerdere versie stond dat arbeidsinkomensquote (aiq) daalde in procenten. Maar de aiq wordt uitgedrukt in punten.

    • Maarten Schinkel