Dromen van een nieuwe rol als economische spil

Brexit Brexiteers willen dat het Verenigd Koninkrijk zich na vertrek uit de EU opwerpt als wereldkampioen vrijhandel. Dat kan een goede deal met Europa in de weg staan.

Boris Johnson had een tijd geleden een sterk verhaal. „Ik was in Ghana. Op de terugreis zat ik in het vliegtuig bovenop dertien ton gekoelde ananasschijfjes”, zei de Britse minister van Buitenlandse Zaken. Knap hoe die schijfjes identiek zijn, hield Johnson het publiek voor op het partijcongres van de Tories in Manchester, begin oktober. De anekdote had een doel: duidelijk maken dat het handelsbeleid van de EU voor ontwikkelingslanden oneerlijk is. „De tariefstructuur van de Europese Unie beschermt de interne markt voor producten waar meer waarde is toegevoegd. Zou het niet beter zijn voor de economieën van ontwikkelingslanden als zij betere producten mogen verhandelen?”

Met andere woorden: de Ghanese economie zou beter af zijn als Johnson niet op ananassen, maar op ananasfrisdrank zou zitten, waar meer Ghanezen aan te pas zijn gekomen om het te maken, waar meer geld terug naar Ghana vloeit en waarop de marges hoger zijn.

Met het tussenakkoord tussen de Britten en de EU van vorige week, wordt het Britse handelsbeleid een actueel onderwerp. De onderhandelaars praten in de komende maanden over hoe het Verenigd Koninkrijk zich economisch na de Brexit tot de interne markt zal verhouden. De Britse premier Theresa May heeft al aangekondigd een ambitieus vrijhandelsakkoord met de EU te wensen. Gezien de grote handelsbelangen is dat pragmatisch, vindt May.

Het Britse handelsbeleid is tevens onderwerp van debat. Brexiteers willen verlost zijn van de ketenen van de EU, die zij als door en door protectionistisch zien, als een voortzetting van de Zollverein van Otto van Bismarck. Ze willen dat het Verenigd Koninkrijk een baken van vrijhandel wordt, met nobel doel: mensen uit de armoede trekken.

Wie in het Europese handelsbeleid duikt, belandt in een wereld vol schema’s. De sappige ananassen zijn teruggebracht tot een code: 804300090. Dit is de schakelkast van wereldhandel: complex, technisch, meestal onzichtbaar maar belangrijk. Het stelsel maakt het mogelijk dat Braziliaanse avocado’s hun weg vinden naar Nederlandse supermarkten, dat Nieuw-Zeelands lam geserveerd wordt in Londense restaurants, dat Britse auto’s naar de haven van Antwerpen worden verscheept.

Rond handelsverdragen als TTIP en CETA ontstond veel ophef. Maar er wordt over veel meer verdragen onderhandeld en die zijn niet wezenlijk anders. Lees ook: Vergeten handelsverdragen

Het Europese handelsbeleid kan gezien worden als een artisjok. Het hart (de interne markt) wordt zorgvuldig en gelaagd afgeschermd. De buitenste bescherming is stug en biedt de minste voordelen. Deze voorwaarden gelden voor landen die handelen met de EU op basis van de voorwaarden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die bepaalt dat landen elkaar hetzelfde tarief moeten gunnen.

In vrijhandelsakkoorden kunnen landen afspreken verder te liberaliseren, tarieven te verlagen of elkaar meer te vertrouwen en als gevolg minder controles (bijvoorbeeld voedselveiligheid) te eisen. De EU heeft voor ontwikkelingslanden een speciaal stelsel dat bescherming verder afpelt zodat ze dichter bij het hart komen. Circa 180 armere landen genieten voordelen onder het zogenoemde algemeen preferentiestelsel.

Alles behalve wapens

De armste landen mogen onder een speciaal akkoord, de Everything but Arms-afspraken, alle goederen, behalve wapens, tariefvrij naar de EU exporteren. Tegelijkertijd sluit de EU met ontwikkelingslanden handelsakkoorden af die weer voorrang genieten boven de algemene afspraken voor ontwikkelingslanden.

Is deze artisjok zo protectionistisch, zoals Brexiteers als Johnson beweren? „Hogere invoertarieven op goederen met meer toegevoegde waarde is een bekende manier om de eigen industrie te beschermen”, zegt Ferdi De Ville, een onderzoeker aan de Universiteit van Gent, gespecialiseerd in het Europese handelsbeleid.

Cacao is een bekend voorbeeld. Onder het algemeen preferentiestelsel betaalt een Indonesische cacaohandelaar niks om cacaobonen naar de EU te verschepen, maar 6,1 procent om cacaopasta te verhandelen. Op pralines betaalt een Indonesische handelaar tot 18,7 procent invoerheffing, plus een extra suikerheffing. De Ville: „Dit soort tariefescalatie kom je minder tegen, aangezien de armste landen sinds 2001 geen invoertarieven betalen op al hun producten, wapens uitgezonderd.”

De EU stelt strenge kwaliteitseisen, om het milieu te beschermen, om de veiligheid van consumenten te waarborgen. Willen de Britten daaraan tornen?

Ferdi De Ville, Universiteit van Gent

Niet tarieven, maar andere regels vormen grotere barrières voor producenten uit ontwikkelingslanden om de Europese interne markt te betreden, zegt De Ville. „De EU stelt strenge kwaliteitseisen, om het milieu te beschermen, om de veiligheid van consumenten te waarborgen. Je kunt je afvragen of de Britten, na Brexit, daar wel aan willen tornen.”

Brexiteers zien een toekomst na uittreden voor zich waar het Verenigd Koninkrijk weer de economische spil is van een wereldwijde vriendengroep: het Gemenebest. Dat is een deel van de wereld waar het Verenigd Koninkrijk aanzien geniet, waar rechtssystemen soms op elkaar lijken, betogen voorstanders, als Johnson en minister Liam Fox (Internationale Handel). Ondernemer James Dyson (van de stofzuigers en handdrogers) zei in maart tegen de BBC dat een handelsbeleid gericht op de voormalige koloniën een uitstekend idee was. „Ik ben een patriot en dus voorstander.”

Dat is nostalgisch Empire 2.0-denken, klinken kritieken. Internationaal handelsrecht zal weerbarstig blijken. Het is volgens de regels van de WTO verboden willekeurige landen eenzijdig voorkeuren te verschaffen. De EU mocht voormalige kolonies niet arbitrair voordeliger behandelen dan andere ontwikkelingslanden, besloten arbiters van de WTO in de jaren 90.

Toch kunnen de Britten na de Brexit een beter handelsbeleid voeren dan de EU, constateert Emily Jones, handelsexpert verbonden aan de Blavatnik School of Government van Oxford University. Ze heeft in het algemeen lof voor het EU-beleid, maar constateert dat er genoeg te verbeteren valt. Jones heeft kritiek op de manier waarop de EU economische samenwerking tussen Afrikaanse landen frustreert.

De EU sluit Europese partnerschapakkoorden met de iets rijkere Afrikaanse landen. Omdat een paar Afrikaanse landen dit soort akkoorden heeft en andere Afrikaanse landen met de EU handelen onder de gunstigere voorwaarden van Everything but Arms, ontstaan er perverse situaties, zegt Jones. Als voorbeeld noemt zij de frustraties binnen de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, waar Kenia, Burundi, Rwanda, Tanzania, Oeganda economisch samenwerken. De Gemeenschap onderhandelt met de EU over een vrijhandelsakkoord. De gesprekken duren al ruim een decennium.

‘EU zorgt voor verdeeldheid’

Kenia, dat een partnerschapsakkoord met de EU heeft, wil graag dat een vrijhandelsdeal rondkomt. Een aantal van de kleinere en armere landen, die op basis van het gunstigere Everything but Arms met de EU handelen, zien de noodzaak minder. Jones: „Het is ronduit rampzalig dat het EU-beleid Afrikaanse economische integratie in de weg staat door verschillende stelsels toe te passen. De EU zorgt voor verdeeldheid op het continent.”

Zij ziet een kans voor Brits beleid na de Brexit: stel een inkomenscategorie op — een onderscheid dat door de WTO geaccepteerd wordt — zodat geheel Afrika onder één noemer en dus gelijke handelsvoorwaarden valt. „Daar kan het Verenigd Koninkrijk een verschil maken en zo economische ontwikkeling stimuleren.”

Baanbrekend zou de Britse handelsstrategie pas zijn als de Britten toestaan dat bedrijven uit ontwikkelingslanden ruimer diensten konden aanbieden in het Verenigd Koninkrijk. De wereldwijde liberalisering van diensten ligt al twintig jaar stil, constateert ook Shakar Singham, handelsspecialist van het denktank Legatum Institute dat Brexiteers adviseert. „Wat nodig is, is een grote economische mogendheid die een wezenlijk belang heeft daar werk van te maken. Het Verenigd Koninkrijk kan die rol vervullen.”

Grotere toegang tot de Britse markt voor diensten is bijvoorbeeld een wens van India. De Indiase premier Modi drong aan op visa voor IT’ers, toen Theresa May hem vorig jaar november bezocht. May deinsde terug. „We hebben, denk ik, al een goed systeem”, zei May.

Eerdere besprekingen over een EU-Indiaas vrijhandelsverdrag liepen vast, deels omdat de Britten tegen ruime visumregels waren. Om de Brexit aan de Conservatieve achterban te verkopen, moet May aantonen dat een restrictiever migratiebeleid haalbaar is. Nederlandse en Poolse IT’ers inruilen voor Indiase wekt niet de gewenste indruk van controle over de grenzen.

Onderzoeker De Ville zegt dat Britse ambities om een nobeler handelsbeleid te voeren niet alleen worden beperkt door overwegingen van Brits binnenlandse aard. De Ville: „Als de Britten besluiten producten uit ontwikkelingslanden makkelijker toe te laten, zal de EU zeker willen weten dat die goederen niet via een achterdeur op de interne markt belanden.”

Met andere woorden: hoe groter het verschil met het EU-beleid, hoe meer douanecontroles en checks nodig zijn, in Brusselse ogen. De Ville: „Uiteindelijk, en dat is cruciaal, zullen Brexiteers moeten erkennen dat het onverenigbaar is om perfecte handel met de EU te drijven, zoals May wil en tegelijkertijd totale vrijhandel met de rest van de wereld te hebben.”

Tot nu toe blijft die erkenning uit. May en David Davis (Brexitzaken) blijven hameren op frictieloze handel met de EU, terwijl Johnson en Fox een toekomst van vrijhandel schilderen. Dat ligt gevoelig. De Britten moesten vorige week plechtig beloven de grens tussen Noord-Ierland en Ierland open te houden, een eis van de EU. Hoe meer Britse handelsregels afwijken van de EU, hoe groter de kans dat de Britse regering deze belofte niet kan nakomen.

Boris Johnson moet nog iets anders opbiechten, zegt handelsexpert Jones. Zij werkte voor het Ghanese ministerie van Handel en Industrie en kent de handelsrelatie met de EU goed. „Ghana en de EU hebben een vrijhandelsverdrag”, zegt ze. „Dat betekent in de praktijk dat het niet uitmaakt of Ghana ananassen, ananassap of ananasproducten verscheept. Er zit geen invoerheffing op.”

    • Melle Garschagen