Opinie

    • Peter de Bruijn

Geen normale tijden voor Europese filmprijzen

Peter de Bruijn De European Film Awards zijn bij het publiek amper bekend. Het feestje wordt niet op televisie uitgezonden, en de aandacht van de filmpers gaat vooral naar films uit eigen land.

Zaterdag zijn in Berlijn voor de dertigste keer de European Film Awards uitgereikt, maar bij het publiek zijn de prijzen nog altijd tamelijk onbekend. Toch betekent een bekroning door collega’s verenigd in de European Film Academy (EFA) iets. Vandaar dat toonaangevende regisseurs van genomineerde films zoals de Rus Andrey Zvyagintsev (voor Loveless), de Griek Yorgos Lanthimos (voor The Killing of a Sacred Deer) en de Zweed Ruben Östlund (voor The Square) braaf in hun nette pak kwamen opdraven voor de uitreiking. Een tikje gênant was vervolgens dat – ondanks zoveel sterke concurrentie – bijna alle prijzen naar dezelfde film gingen: Östlunds satire op de kunstwereld The Square. Dat vond de regisseur wellicht zelf ook, gezien zijn lof vanaf het podium voor collega’s en hun genomineerde films.

De Europese gedachte maakt lastige tijden door, met wild om zich heen grijpend populisme. Hoopvolle dromen dat de Europese filmprijzen ooit net zo’n ingang zullen vinden bij een miljoenenpubliek als het Eurovisie Songfestival, zijn zacht gezegd naïef. Europa is daarvoor ook te divers: genomineerde films zijn in sommige landen nog niet te zien geweest, of zullen de bioscopen misschien nooit halen. De verzamelde filmpers in Berlijn kijkt nog steeds vooral naar hoe films uit eigen land ervan afkomen. Zelfs in een zo Europees gezind land als Duitsland, is het Gala van de Europese Film alleen live als internetstream te zien; niet op een van de televisiezenders.

De EFA kan daar ook moeilijk van opkijken, zolang de organisatie nog ruimte in het gala opneemt voor een ellenlange speech van regisseur Wim Wenders. Hij was een van de oprichters en is sinds jaar en dag voorzitter van de European Film Academy. Met woeste emotionele uithalen waarschuwde hij voor de ‘monsters van het verleden’ van nationalisme en populisme, die weer rondspoken. „Europa is niet het probleem, maar de oplossing”, hield hij zijn gehoor bijna wanhopig voor.

Even later kwam de Britse regisseur Stephen Frears de prijs voor beste debuutfilm uitreiken. Toevallig ging die prijs ook naar een Brit: naar William Oldroyd voor Lady Macbeth. Maar eerst maakte Frears nog nadrukkelijk zijn excuses voor Brexit. „Ik kom uit een land dat zo stompzinnig is geen onderdeel van Europa te willen zijn. Ik wil graag mijn excuses aanbieden voor al het ongemak dat we hebben veroorzaakt.” Zoiets geeft een goed gevoel: bij de spreker en bij het publiek. Warm applaus. Maar je hebt er verder niets aan.

Voorvechter van Europa

Bijna té symbolisch was dat de publieksprijs ging naar de Duitse biopic Vor der Morgenröte. Die film gaat over de vlucht voor Hitler, ballingschap en zelfmoord van schrijver Stefan Zweig; een vurig kosmopoliet en vroege voorvechter van Europese eenheid. Internationaal is de film van regisseur Maria Schrader overigens uitgebracht als Stefan Zweig – Farewell to Europe.

Ook aan de filmwereld is niet voorbijgegaan dat dit voor Europa geen tijden zoals alle andere zijn. Maar alleen nadrukkelijk aan de goede kant staan (Frears) of met grote woorden smijten (Wenders) is niet genoeg. Iemand zou eens een film moeten maken over zo’n boze populist.

    • Peter de Bruijn