Opinie

    • Frits Abrahams

Een aanbod in de kou

Het was al begonnen te sneeuwen toen ik vroeg in de morgen naar de ingang van het ziekenhuis liep. Er was daar een overdekt gedeelte waar je enige bescherming tegen de winterse woelingen kon vinden als je er behoefte aan had. Ik had die behoefte wel, maar niet de tijd want ik moest naar een afspraak.

Vóór mij liep een man in een halflange, grijze winterjas die minder haast had dan ik. Hij wendde zich naar een muzikant die, gezeten op de grond, in zijn eenzame eentje een droefgeestige melodie op zijn accordeon speelde. Voor droefgeestigheid was op deze koude, ongenaakbare morgen alle reden, maar de muzikant leek me ook op zonnige dagen niet de man van de vrolijke noot. Vermoedelijk was hij, zoals de meeste van zijn collega’s, afkomstig uit een of ander Oost-Europees land, waar ze meer reden hebben om te treuren dan in onze welvaartsmaatschappij.

Ik lette niet op het deuntje dat de muzikant speelde. Het voordeel van Oost-Europese straatmuzikanten is dat ze nu eens níet Olé Guapa, Oh Donna Clara of de Huppelmars spelen. Wat ze wél spelen, ken ik meestal niet, of het moet het thema van de film The Godfather zijn, een melodie waarin je als accordeonist al je opgespaarde melancholie gemakkelijk kwijt kunt – méér zelfs dan je toehoorders kunnen verwerken.

De man in de winterjas boog zich voorover naar de muzikant. Even dacht ik dat hij iets wilde vragen over het zojuist voltooide nummer, maar hij zei alleen maar: „Koud, hè?”Terwijl hij dat zei, gooide hij enkele munten in het kartonnen bekertje dat de muzikant bij zijn voeten had gezet.

De muzikant keek verrast naar hem op. Hij had een verweerd, donker gezicht met scherpe plooien om zijn mond. Boven zijn spijkerbroek droeg hij een vaal, dun jasje dat geen partij was voor het gure weer. Hij haalde lichtjes zijn schouders op en brabbelde iets dat Duits klonk, maar het vermoedelijk niet was. Als ik het vrij mag vertalen: „Ach, valt wel mee” – of zoiets.

Schwierig bei diesem Wetter”, zei de ander.

De muzikant knikte amper – meer uit beleefdheid dan uit instemming. Hij had geen behoefte aan medelijden.

Toen vroeg de voorbijganger in de winterjas terwijl hij op zichzelf wees: „Wilt u misschien mijn jas hebben?” Waarom hij opeens Nederlands sprak, was mij onduidelijk – misschien omdat hij enige plaatsvervangende schaamte moest overwinnen.

De muzikant schudde een beetje verlegen het hoofd. Zou hij begrepen hebben wat de ander zei?

„Oké”, zei de voorbijganger berustend, „dan ga ik maar. Auf Wiedersehen!

Hij draaide zich om en drentelde naar de ingang van het ziekenhuis. Ik bleef in verwarring achter. Had ik hem goed verstaan en was hij bereid geweest een belangrijk attribuut van zijn comfortabele bestaan af te staan aan die ander? Of had hij gevraagd: „Wilt u misschien mijn das hebben?”

Ik kon het hem niet meer vragen want hij was al voorgoed verdwenen in de royale hal van het ziekenhuis. Wat deed hij daar? Was hij bezoeker, patiënt, chirurg of gewoon boekhouder? Of een engel uit een kerstvertelling?

Jas of das, wat maakt het ook uit, besloot ik, het was, hoe dan ook, een bewonderenswaardig aanbod van…ik hield het op een engel.

    • Frits Abrahams