DNA-bewijs heeft valkuilen

Forensisch bewijs Nu DNA verzamelen gemakkelijker is, wordt de interpretatie van de vondst belangrijker, zegt advocaat Knoops.

Er kan van alles met DNA-bewijsmateriaal. En soms is het een zegen, stelt strafpleiter en hoogleraar Geert-Jan Knoops. „De zaak rond Anne Faber is een voorbeeld waarbij DNA-bewijs bij de opsporing van grote waarde is.” Maar, zo doceert hij, er bestaan ook grote valkuilen.

Zijn favoriete voorbeeld is een zaak rond een Amerikaanse miljonair die onder verdachte omstandigheden werd aangetroffen in zijn woning in Los Angeles. Bij onderzoek van het stoffelijk overschot werd het DNA van een man gevonden: ene meneer Anderson die dakloos bleek te zijn. Hij werd snel als verdachte aangemerkt.

Maar Anderson had een waterdicht alibi: hij lag op het moment dat de moord moest zijn gepleegd in het ziekenhuis. Anderson was stomdronken op straat gevonden en door twee ambulancebroeders naar het ziekenhuis vervoerd. Het grote raadsel was hoe het DNA van Anderson op het lichaam van het slachtoffer terecht was gekomen, aldus Knoops.

„Wat bleek? De ambulancebroeders die Anderson naar het ziekenhuis hadden gebracht, zijn daarna in dezelfde auto naar de woning van het slachtoffer gestuurd. Het DNA-spoor van Anderson is via de ambulancebroeders op het lichaam van het slachtoffer terechtgekomen.”

Herzieningszaken

Het voorbeeld laat zien hoe gemakkelijk het fout kan gaan met DNA-sporen. Knoops: „Naarmate de techniek beter wordt, is er steeds minder DNA-materiaal nodig om een goed profiel te maken, ook als het gaat om DNA-spoor dat door aanraking is verspreid. Het verhaal van Anderson laat zien dat een dergelijk DNA-profiel niet zo maar kan worden gekwalificeerd als een daderspoor.”

De Puttense moordzaak laat ook zien hoe moeilijk het soms kan zijn om DNA-bewijsmateriaal te interpreteren. „Dat zie je wel vaker”, aldus Knoops, die zich heeft gespecialiseerd in herzieningszaken van mensen die ten onrechte zijn veroordeeld. Hij is met zijn vrouw Carrie Knoops-Hamburger intiatiefnemer van het Innocence Project in Nederland, dat mensen bijstaat die ten onrechte zijn veroordeeld. Over zo’n geslaagde herziening, rond een dubbele moord op Bonaire, publiceerde hij onlangs een juridische thriller: De laatste kamer.

Interpretatie

Knoops stelt dat fouten bij het verzamelen en interpreteren van forensisch bewijs, naast valse bekentenissen en onbetrouwbare getuigenverklaringen, de belangrijkste bron voor gerechtelijke dwalingen zijn. „Naarmate het verzamelen en verkrijgen van DNA-materiaal gemakkelijker is, wordt de interpretatie van dat materiaal steeds belangrijker”, aldus Knoops. „Dat zorgt voor grote uitdagingen. Ik vraag me af of rechters, officieren van justitie en advocaten wel voldoende kennis hebben om dit soort bewijsmateriaal goed te interpreteren.”

Het gevolg is dat de rechtspraak bij dit soort zaken afhankelijker wordt van deskundigen. „Dat lijkt aantrekkelijk, maar levert ook problemen op. Welke deskundige moet je geloven? In complexe zaken zie je dat deskundigen vaak van mening verschillen. Welke deskundige geeft dan de doorslag? En waarom?”

Bovendien is het vaak moeilijk om contra-expertise in te huren. „Het vergt meer tijd en brengt vaak extra kosten met zich mee, aldus Knoops. Maar het is wel nodig om de valkuilen van DNA-bewijs te omzeilen en zo te voorkomen dat verdachten ten onrechte worden veroordeeld.”

Geert-Jan Knoops: De laatste kamer. Uitgeverij Balans, 280 blz. €19,95.