De ongelijkheid in Nederland is in 25 jaar gegroeid

SCP-onderzoek

Nederland is in een kwart eeuw „voller, grijzer en diverser” geworden, volgens het SCP. En ook: ongelijker in kansen en inkomen. Maar we denken nog hetzelfde.

‘Achterblijvers’ raken steeds verder achterop en hebben een steeds slechter gevoel over hun leven. Foto Robin Utrecht / ANP

Kijk eens vijfentwintig jaar terug en denk dan alleen aan het internet. Niet meer dan 4 procent van de Nederlanders had er toegang toe – vanaf een trage computer, en je moest eerst inbellen. Na de economische bloei van de jaren negentig volgde een decennium vol aanslagen en crises. Het populisme kwam op.

Je zou denken dat het allemaal grote invloed had op hoe Nederlanders in het leven staan.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) deed onderzoek naar de afgelopen kwarteeuw – in de tweejaarlijkse studie De sociale staat van Nederland – en de uitkomst is: er veranderde veel. Maar niet in hoe we denken.

Neem het internet. We besteden daar natuurlijk veel meer uren aan dan in 1990. Maar we kijken nog evenveel televisie: 12 uur per week. En we besteden bijna evenveel tijd aan sociale contacten.

Drie opvallende conclusies:

Er is veel veranderd in 25 jaar

In bijna alle opzichten gaat het beter met Nederland. We leven langer, we bewegen meer, blijven langer gezond. Mannen leven zes jaar langer dan een kwarteeuw geleden en vrouwen, die al een hogere levensverwachting hadden, drie jaar.

De criminaliteit daalde – vooral ná de jaren negentig – of het nu om geweld gaat, diefstal of vernieling. Dat blijkt uit cijfers die de politie gebruikt, maar Nederlanders zien het zelf ook. Nog steeds zijn er veel mensen, 65 procent, die criminaliteit een groot probleem noemen. Maar in de eerste helft van de jaren negentig had 90 procent die mening.

De welvaart steeg vooral in de jaren negentig aanzienlijk en dat komt vooral doordat vrouwen massaal gingen werken – later dan in veel andere westerse landen. Werkte in 1990 nog 45 procent van de vrouwen buitenshuis, nu is dat 71 procent. Huishoudens kregen daardoor meer te besteden en dat was te merken: meer mensen kochten een eigen huis, ze gingen ook vaker op vakantie.

Drijvende kracht achter de werklust van vrouwen: hun hogere opleidingen. Mede daardoor nam het aandeel laagopgeleiden in de beroepsbevolking af van 45 procent in 1990 tot 23 procent nu. Het aandeel met een hoge opleiding steeg van 18 naar 36 procent.

Het SCP stelt vast dat Nederland in vijfentwintig jaar „voller, grijzer en diverser” is geworden. De bevolking groeide met 13 procent, maar het aantal huishoudens groeide sneller – er kwamen meer eenpersoonshuishoudens bij. Nederlanders scheiden vaker en er zijn meer ouderen die langer zelfstandig wonen. Van de Nederlanders heeft nu 12 procent een niet-westerse achtergrond, in 1990 was dat 9 procent. In die tijd telde Nederland een half miljoen moslims, nu een miljoen.

Er veranderde ook heel veel niet

De stemming onder Nederlanders lijkt op die van de jaren negentig. Nog evenveel Nederlanders (85 procent) als toen vinden dat het eigen gezin in welvaart leeft en zijn er trots op dat ze Nederlander zijn (meer dan 80 procent). Politici zeggen vaak dat mensen zich zorgen maken over de „normen en waarden” en „hoe we met elkaar omgaan”. Uit het SCP-onderzoek blijkt: in 1993 waren die zorgen groter dan nu.

En het is misschien „contra-intuïtief”, schrijven de onderzoekers, maar in Nederland is er géén „ruk naar rechts” geweest. Sterker nog: we zijn milder gaan denken over migranten. In 1994 vond nog 49 procent van de Nederlanders dat er teveel mensen van een andere nationaliteit in Nederland wonen, nu vindt nog maar 31 procent dat.

Over de komst van een asielzoekerscentrum in hun buurt denken Nederlanders nog exact hetzelfde als in 1994. De helft van de burgers zou het accepteren maar niet prettig vinden, 16 procent zou protesteren, 34 heeft geen enkel bezwaar. Wel valt op dat in het jaar 2000 die laatste groep tijdelijk groter was: toen vond 54 procent van de Nederlanders het geen enkel probleem als er een azc in hun wijk zou komen.

Er zijn nog maar weinig mensen die een probleem hebben met abortus, het homohuwelijk, euthanasie. Nederlanders doen nog evenveel vrijwilligerswerk, ze vertrouwen elkaar ook nog evenveel. En al zijn minder mensen lid van een partij, het politiek cynisme nam volgens het SCP niet toe. Nederlanders zijn zelfs tevredener over de democratie dan in 1990 – al blijkt het vertrouwen in de Tweede Kamer te schommelen.

De tevredenheid en het vertrouwen zijn bijzonder: Nederlanders zijn veel positiever over hun leven en hun land dan de meeste andere burgers in Europa.

Voor het lidmaatschap van de Europese Unie is er wel steeds minder steun. In 1996 was dat nog 75 procent, nu nog maar 58 procent. Begin jaren negentig was er ook nog een ruime meerderheid die vond dat de overheid burgers moet dwingen om het milieu te sparen. Die meerderheid is nu krap geworden.

Wat ook opvalt: begin jaren negentig vond 81 procent dat „iedereen vrij moet zijn om in het openbaar te zeggen wat hij of zij wil”, nu is dat 66 procent. Dat verschil kan te maken hebben, schrijven de onderzoekers, met de opkomst van sociale media en internet: die waren in 1990 nog niet een forum voor publiek debat.

Maar het verschil tussen rijk en arm groeit

De meeste Nederlanders, blijkt uit het SCP-onderzoek, moeten weinig hebben van grote verschillen in hun land. Maar die zijn er wel: vooral de hoog- en laagopgeleiden en mensen met een goede en een slechte gezondheid groeien uit elkaar.

Begin jaren negentig ontving de allerrijkste 1 procent van de bevolking 3 procent van het totale inkomen. Nu is 5 procent van het inkomen voor hen. De groep die er het slechtst aan toe is – in opleidingsniveau, gezondheid, kansen, hun grip op het leven – is procentueel niet gegroeid: het was begin jaren negentig zo’n 5 procent en dat is het nog steeds. Maar wat opvalt: die ‘achterblijvers’ raken steeds verder achterop en hebben een steeds slechter gevoel over hun leven. In 1990 noemde 17 procent van hen zich ‘erg gelukkig’, ondanks alles, en 26 procent vond zichzelf ‘ongelukkig’. Nu voelt 40 procent zich ongelukkig en is er nog maar 6 procent ‘erg gelukkig’.

„Ze hebben reële problemen”, zegt onderzoeker Jeroen Boelhouwer. „En ze zien dat anderen meer hebben geprofiteerd van de welvaart.” Dat maakt mensen nóg ongelukkiger. „Ze vinden dat de overheid tekortschiet.”

Mensen met weinig opleiding en weinig kansen leven gemiddeld zeven jaar korter dan hoogopgeleiden. Ze zijn sinds de jaren negentig minder aan sport gaan doen, op school krijgen hun kinderen minder kansen dan de kinderen uit groepen die al het beter hebben.

Ze hebben ook minder mensen met wie ze omgaan, bij verkiezingen stemmen ze vaker niet.

Het SCP ziet allerlei ontwikkelingen die het juist voor deze groep nog moeilijker maken: de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de digitalisering, waardoor de samenleving ingewikkelder wordt. En dan is het ook nog eens steeds meer de bedoeling dat mensen in de maatschappij, en dus ook de leden van deze groep, zichzelf redden. Boelhouwer: „Deze groep is zorgwekkend.”

Met die boodschap eindigen de onderzoekers. De vraag voor de komende jaren is volgens hen: hoe krijg je voor elkaar dat zoveel mogelijk mensen „volwaardig meedoen”?

    • Marike Stellinga
    • Petra de Koning