Ridders met en zonder blauw bloed

Tom Versélewel de Witt Hamer Sociaal wetenschapper De adel is vrij onzichtbaar in Nederland. Promovendus Tom Versélewel de Witt Hamer onderzocht vijftien ‘ridderlijke orden’.

Promovendus Tom Versélewel de Witt Hamer: „Het adelsbewustzijn bij de jeugd is relatief groot.” Foto Kees van de Veen

‘De elite’ in Nederland bestaat vooral uit onbekenden die hoge posities bekleden in het bedrijfsleven en het openbaar bestuur. Enkele duizenden van hen willen zich ook buiten hun werk onderscheiden en zijn aangesloten bij zogenoemde ridderlijke orden. Deze organisaties zetten zich, in de geest van middeleeuwse voorbeelden, in voor behoud van het christelijke geloof en doen goede werken. Oorspronkelijk waren dit uitsluitend adellijke clubs, maar de laatste halve eeuw zijn er ook niet-adellijke orden bijgekomen. Ze mijden doorgaans de schijnwerpers, zozeer dat wel gesproken wordt van ‘geheime genootschappen’.

Tom Versélewel de Witt Hamer geeft in het dagelijks leven leiding aan het facilitair bedrijf van de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn familie is in 1601 door keizer Rudolf II verheven in de adelstand van het heilige Roomse Rijk en de Oostenrijkse erflanden, maar werd pas in 1982 ingelijfd bij de Nederlandse adel. De Witt Hamer („over dat Versélewel breekt iedereen zijn tong”) is allang geboeid door de wereld van de ridderlijke orden. Zelf is hij lid van de Johanniter Orde, de Nederlandse (en protestantse) nazaat van de middeleeuwse Militaire Hospitaal Orde van Sint-Jan van Jeruzalem. Die zorgde tijdens de kruistochten voor zieke pelgrims. Donderdag promoveerde hij in Groningen op de dissertatie Geloven verplicht. Elite-onderzoek naar ridderlijke orden in het Koninkrijk der Nederlanden (1965-2015).

De afdeling voorlichting van de universiteit noemt het ‘werk van een insider’. Waarschijnlijk omdat hij zelf jonkheer én Johanniter ridder is. „Toch ben ik evengoed een outsider,” vertelt hij daags voor de promotie, „want van de meeste orden die ik heb bekeken, wist ik helemaal niks. Ik heb me zo neutraal mogelijk opgesteld en me onthouden van waardeoordelen.”

Wat bedoelt u met de titel, ‘Geloven verplicht’?

„Die heeft een dubbele betekenis. Deze organisaties, of het nu adellijke zijn of niet-adellijke, grijpen allemaal terug op een oude christelijke traditie uit de tijd van de kruistochten. Op een enkele na vinden ze allemaal dat je van christelijke huize moet zijn om lid te kunnen worden. Dus: geloven is verplicht – katholiek, protestant, of zoals alle nieuwere orden, oecumenisch. De tweede lezing van de titel is dat het geloof ook een morele verplichting meebrengt. Het zijn charitatieve organisaties, ze zetten zich in voor de medemens.”

Het doet meteen denken aan het adellijke credo ‘noblesse oblige’.

„Ja, het is een knipoog. In 2006 is een enquête gehouden onder de Nederlandse adel. Zo’n 50 procent zei het toen eens te zijn met dit credo. Die enquête is vorig jaar herhaald en toen was de score 37 procent. De adel voelt zich dus niet meer vanzelfsprekend verplicht.”

Wat verstaan de ridderlijke orden, adellijk of niet, onder caritas?

„Dat zijn de goede werken die ze doen. De katholieke Orde van Malta gaat elk jaar met zieken naar Lourdes en organiseert reizen voor gehandicapte jongeren. De Johanniter Orde had oorspronkelijk ziekenhuizen en verpleeghuizen, maar toen het veel moeilijker werd om dit als particuliere organisatie te regelen zijn ze begonnen met vakantiereizen voor gehandicapten. Op de Amsterdamse Wallen is in de jaren tachtig een Kruispost geopend, waar onverzekerde daklozen medische hulp kunnen krijgen. Die bestaat nog steeds en daar wordt veel gebruik van gemaakt. Dan heb je nog de Duitse Orde, de andere adellijke orde. Die is getransformeerd in een vermogensfonds. Aan allerlei maatschappelijke projecten geven ze financiële ondersteuning.”

De drie adellijke orden tellen zo’n 800 leden. Vormen die een elite?

„Een elite bestaat uit mensen die zich onderscheiden. De adel wordt nog steeds gezien als een elite in Nederland, blijkt uit enquêtes. Vraagt u me waarmee de adel zich nu nog onderscheidt, dan zijn dat juist de dingen die de orden doen.”

Welk deel van de Nederlandse adel is aangesloten bij deze orden?

„Er zijn ongeveer 10.000 Nederlanders van adel, van wie 2.000 in het buitenland. Een kwart van de Nederlandse adel is georganiseerd. 10 procent van die 8.000 is aangesloten bij één van de drie orden, de anderen bij de Nederlandse Adelsvereniging of bij een van de ridderschappen die er nog zijn in een aantal provincies. Bij de orden is de cohesie tussen de leden groter dan bij die andere organisaties. De ridderschappen komen eens per jaar bij elkaar, en de Nederlandse Adelsvereniging niet veel vaker. Bij de orden worden in gezamenlijkheid werken verzet. Daarom denk ik dat zij een belangrijke rol spelen bij het voortbestaan van de adel als collectiviteit.”

Wat heeft uw onderzoek naar de ledenbestanden van vijf orden, waaronder de drie adellijke, opgeleverd?

„Bij de niet-adellijke orden zie ik meer elitefuncties dan bij de adellijke orden. Die zoeken in hun netwerken veel gerichter naar mensen op topposities in openbaar bestuur en bedrijfsleven. Het adelsnetwerk hangt samen van familiebanden; van veel leden was ook vader of grootvader lid. Daar zie je ook een wat hoger percentage lagere beroepen. Maar bij de niet-adellijke orden, zoals de rooms-katholieke Ridderorde van het Heilig Graf van Jeruzalem en de oecumenische Orde van Sint Lazarus wordt actief geworven in de netwerken. Voor de Ridderorde van het Heilig Graf is dat het katholieke elitenetwerk en voor de Orde van Sint Lazarus is dat het professionele netwerk van hoogopgeleiden, zoals juristen en artsen.”

Hoe belangrijk is het lidmaatschap van een orde voor je carrière?

„In individuele gevallen zal het misschien meespelen, maar het is niet bepalend. Het zijn juist mensen die al in hoge posities zitten die worden aangezocht of zich aanmelden. Kijk, de toetredingsleeftijd voor de Ridderorde van het Heilig Graf van Jeruzalem is begin vijftig. Dat zijn mensen die óf op het hoogtepunt van hun carrière zijn of daar nog uitzicht op hebben. Bij de adellijke orden ligt die leeftijd iets lager – ergens in de veertig. Maar ook die jongeren zitten al op goede posities.”

Wordt er onderling getrouwd?

„Ja, nog steeds, maar het neemt af. Binnen de orden ligt het percentage homogamie beduidend hoger dan bij adel in het algemeen. Dat is niet verbazingwekkend, want je wordt lid van zo’n orde als adel je nog aanspreekt. Het adelsbewustzijn bij de jeugd is relatief groot, althans bij dat deel dat dit van thuis meekrijgt.”

    • Dirk Vlasblom