Opinie

    • Frits Abrahams

De liefde van Jan Cremer

De jongeren onder ons die niet goed wisten wie Jan Cremer is, zijn dankzij zijn nieuwste boek, Sirenen, nu beter op de hoogte. Het boek krijgt veel publiciteit en verkoopt goed.

Sirenen gaat over de relatie die Cremer in de jaren zestig met topmannequin en artieste Loes Hamel had. Cremer was dankzij zijn debuut Ik Jan Cremer uit 1964 op slag een beroemde bestsellerauteur geworden, Hamel werkte voor Pierre Cardin en trad op met Ramses Shaffy.

Hun relatie was wat je noemt een knipperlichtrelatie, met de bijzonderheid dat ze vaker op rood (uit) dan op groen (aan) sprong. De basis van het boek zijn de smartelijke brieven die Loes naar haar Jan stuurde.

Sirenen stuit bij sommige lezers op bezwaren. De schrijver Hans Vervoort vroeg zich op Facebook af of dat wel mocht: het publiceren van vertrouwelijke brieven. Zijn conclusie: het is „helemáál fout” omdat Loes niet meer leeft. Een ander bezwaar van Vervoort is dat er een tegenstelling bestaat tussen wat Cremer ooit over Loes schreef en dit ‘liefdesboek’.

Het auteursrechtelijke aspect kan ik niet beoordelen, Vervoorts tweede bezwaar is voor mij relevanter. Hij lijkt ernstig aan Cremers oprechtheid als schrijver te twijfelen: destijds Loes tegenover derden afkraken en nu als voormalige minnaar goede sier maken met een tragische liefdesgeschiedenis over een vrouw die „de eerste grote liefde in mijn leven” was.

Het klopt dat Cremer destijds denigrerend over Loes geschreven heeft. Vervoort geeft als voorbeeld een citaat uit een brief van 22 maart 1968 aan Gerard Reve: „Een vriendinnetje van mij, je kent haar wel: Loesje-uit-de-polder (weet je trouwens dat die helemaal maf geworden is, hip enzo met kralen, kettingen en psychedelic maandverband zit ze bij haar moeder op zolder in Andijk marihuana te roken met een Amerikaanse niksnut) […].”

Zelf vond ik een nog krasser voorbeeld in Cremers bundel Brieven 1956-1996, namelijk deze aantekening van 25 mei 1965 uit zijn agenda: „Zij is een laf slangachtig wezen […] Haar jaloezie kent geen grenzen. […] Deze vrouw had nooit in mijn leven moeten komen. Ik heb niets dan ellende en vernedering moeten ondergaan de laatste zes maanden (dec. 1964), waarvan maar enkele leuke uitzonderingen, maar ja zo zullen de vrouwen wel zijn, zeg ik maar.” Hij had ook nog een klap van haar gekregen.

Een laf slangachtig wezen dat je beter nooit had kunnen ontmoeten – zeg je dat over je grote liefde? Nee, het ligt niet voor de hand, máár: zulke notities en brieffragmenten zijn ook te verklaren als emotionele momentopnamen uit een voor beiden turbulente periode vol haat én liefde. Zelf heb ik mijn vrouw, in een veel langduriger relatie, nooit een laffe slang genoemd, maar wel… (zij grijpt nu, net als Loes, hardhandig in).

Kortom, het gaat mij te ver om Cremer op grond van die citaten onoprecht te noemen. Ik ga ervan uit dat hij wel degelijk veel van haar gehouden heeft, maar op een andere manier dan zij van hem. Loes hield onvoorwaardelijk van hem, ze bleef ook van hem houden nadat hij haar enkele malen lelijk in de steek had gelaten. Zoals bij haar uitzetting uit Amerika, toen Cremer liever op reis ging met Jayne Mansfield. Cremer had lief onder één allesoverheersende voorwaarde: het behoud van zijn vrijheid.

    • Frits Abrahams