Recensie

Destroyer op volle stormkracht

De band van de Canadees Dan Bejar schakelt van fluisterzacht naar orkestraal bombastisch.

Hij is een dromer, geen getraind muzikant, zegt de Canadees Dan Bejar over de muziek die hij sinds 1996 onder de naam Destroyer uitbrengt. Zijn ideeën zingt hij in op een telefoon en die demo’s laat hij uitwerken door echte muzikanten. Het indiesucces van het album Kaputt uit 2011 stelde hem in staat om met een grote band op tournee te gaan, en zo doet hij het sindsdien. Telkens wanneer hij niets te doen heeft aan de microfoon en zijn zeven muzikanten een instrumentale passage spelen, duikt hij naar beneden en wacht hij in die nederige positie op het volgende zangmoment.

Met zijn droge, donkere stem heeft Bejar iets weg van een vriendelijke versie van Lou Reed. Het stadsgeluid van Vancouver en New York klinkt door in zijn muziek, die met prominente rollen voor een trompettist en saxofonist orkestraal en ook bombastisch uit kan pakken. Veel nummers beginnen fluisterzacht en werken toe naar een kakofonische climax, waarin trompet en altsax soms wringend en dissonant tegen elkaar in werken. Al dat tumult ondersteunt Bejars poëtisch nihilisme, waarin hij van zachtmoedige observaties opeens kan omschakelen naar bijtende oneliners.

„Four more years, four hundred more years of this shit,” herhaalde hij zijn blik op Amerika. Tussen de beheerst uitgesponnen nummers van zijn nieuwe album Ken werd het oudere ‘Suicide Demo for Kara Walker’ een turbulent hoogtepunt van de avond, na een elektronisch bewerkte trompetsolo die in zijn radicale abstractie een verademing bracht tussen de op den duur wat voorspelbare dynamiek van Destroyers zacht-naar-hardmethode. In slotnummer ‘Rubies’ gingen alle schuiven open en stond daar opeens een dwarse versie van Bruce Springsteens E Street Band, met een zanger die in geknielde positie bleef luisteren hoe zijn muziek tot drieste stormkracht werd opgeschroefd.