De vrouw moest even wachten nog

Algemeen kiesrecht Honderd jaar geleden kregen mannen stemrecht. Waarom moesten de vrouwen nog geduld hebben?

Links: Poster voor de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht uit 1918, ontworpen door Theo Molkenboer. De neutrale vereniging werd in 1894 opgericht. Rechts: De SDAP organiseerde in 1911 een volkspetitionnement. Het affiche is van Albert Hahn Sr. Beeld Collectie IAV-Atria en IISG

‘De groote betekenis van het oogenblik deed mij deze woorden met ontroering uitspreken en eenzelfde ontroering maakte zich meester van de luisterenden.”

Zo beschrijft de Nederlandse socialistenleider Pieter Jelles Troelstra in zijn memoires de toespraak die hij op 12 december 1917 vanaf de trappen voor het Haagse stadhuis hield. Het algemeen kiesrecht, product van een decennialange strijd die in grote delen van Europa werd gevoerd, was sinds die dag in Nederland een feit.

Pieter Jelles Troelstra van de sociaal-democratische SDAP houdt een toespraak op het bordes van het Haagse stadhuis op de dag van de afkondiging van het kiesrecht.

Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib (PvdA) zag eerder dit jaar geen aanleiding voor een feestje. Honderd jaar algemeen kiesrecht? Niet iets om bij stil te staan, aangezien dit alleen voor mannen gold, stelde zij. Vandaar dat dinsdag in betrekkelijke stilte wordt herdacht dat op 12 december 1917 de wijziging van de Grondwet werd afgekondigd waarin het algemeen kiesrecht was geregeld. Voor mannen, dat wel. Maar het was tevens juist deze wijziging die de deur wagenwijd openzette om vrouwen eveneens het recht te geven te stemmen. Wat dan ook twee jaar later zou gebeuren.

Het zijn in de Nederlandse politieke verhoudingen vooral sociaal-democraten en liberalen geweest die vanaf het eind van de negentiende eeuw verruiming van het kiesrecht bepleitten. Stemmen was toen nog voorbehouden aan het mannelijke deel van de bevolking dat een bepaalde hoeveelheid belasting betaalde. De toen nog sterk in het parlement vertegenwoordigde christelijke partijen voelden niets voor uitbreiding van het kiesrecht.

Het broeide

Maar onder druk van maatschappelijke veranderingen, zoals de industriële revolutie, broeide het. De sociaal-democraten organiseerden na jarenlange demonstraties in 1911 een volkspetitionnement, waarin werd opgeroepen het algemeen kiesrecht in te voeren. Zij wilden op de derde dinsdag van september – de opening van het parlementaire jaar, door hen uitgeroepen tot ‘Roode Dinsdag’ – de dozen met honderdduizenden handtekeningen aanbieden aan de christelijke minister-president Theo Heemskerk (ARP). Die weigerde de handtekeningen in ontvangst te nemen. Ze konden worden afgeleverd bij de portier van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Onder leiding van de liberaal Cort van der Linden kwam het in 1915 toch nog tot een voorstel om het algemeen kiesrecht in te voeren. Dat het zover kwam, heeft alles te maken met de zogenoemde Pacificatie van 1917. Liberalen en sociaal-democraten aan de ene kant en christelijken aan de andere kant werden het eens over een grote uitruil die een jarenlange controverse over twee thema’s diende te beslechten: de christelijke partijen zouden hun verzet tegen uitbreiding van het kiesrecht staken in ruil voor de toezegging van liberalen en sociaal-democraten dat het bijzonder (lees: christelijk) onderwijs op dezelfde wijze uit belastingmiddelen gefinancierd zou worden als het openbaar onderwijs.

Netelige quaestie

Maar in hoeverre moest dit algemeen kiesrecht nu ook voor vrouwen gelden? „De gevoelens omtrent de toekenning van dit kiesrecht zijn te zeer verdeeld dan dat het geraden zou zijn deze netelige quaestie ter gelegenheid van eene Grondwetsherziening aan de orde te stellen”, schreef Cort van der Linden in de toelichting bij zijn wetsvoorstel. Aan deze conclusie was een uitvoerige beschouwing over de veranderende maatschappelijke positie van vrouwen voorafgegaan.

„De vraag, welke de roeping is der vrouw in onze samenleving, behoort tot de groote problemen van onzen tijd en het zoude voorbarig zijn te voorspellen in welken zin zij zal worden opgelost”, schreef Cort van der Linden. Hij liet geen misverstand bestaan over zijn eigen standpunt: „Principiële uitsluiting van de vrouw mag niet gehandhaafd worden.”

Maar gegeven de diepe meningsverschillen zag hij geen andere mogelijkheid dan tot „geleidelijke uitbreiding” van het kiesrecht te komen.

Gewone meerderheid

Hij koos voor haalbaarheid boven principe. In zijn grondwetswijziging was geregeld dat invoering van het vrouwenkiesrecht met een normale wetswijziging kon worden geregeld. Aanpassing kon zodoende met een gewone meerderheid tot stand worden gebracht en niet met een meerderheid van tweederde, zoals een grondwetswijziging vereist.

Dat de invoering van het algemeen kiesrecht voor vrouwen nog maar een kwestie van tijd was, bleek tijdens het debat in de Tweede Kamer over de invoering van het algemeen mannenkiesrecht. Toen kwam de rol van de vrouw al uitvoerig aan de orde. Van christelijke zijde, waar men vreesde voor ontwrichting van het gezin, werd fel geageerd.

Maar het waren de laatste oprispingen. In 1919 werd het algemeen kiesrecht uitgebreid tot vrouwen door een initiatiefwet van de liberaal Henri Marchant, die met 62 tegen 10 stemmen werd aangenomen. De vernietigende gevolgen van de toen net beëindigde Eerste Wereldoorlog speelden een belangrijke rol bij de gewijzigde stellingnames. Zoals het liberale Kamerlid Rink in 1919 zei: „De wereld heeft moeten ervaren, dat onder het bestuur van regeeringen en parlementen uitsluitend gekozen door mannen, een oorlog is uitgebroken die de grootste rampen over de geheele wereld heeft gebracht, die de beschaving en de welvaart misschien gedurende een halve eeuw heeft achteruitgezet. Elke reden om trotsch op of zelfs maar om ingenomen te zijn met eigen beleid, is hierdoor naar mijn meening voor de mannen komen te vervallen.”

    • Mark Kranenburg