Column

Waarom Den Haag buitenstaanders weer gewoon op hun nummer zet

Deze week: de terugkeer van de onzachtzinnige omgang met de burger. Ofwel: waarom een D66-prominent het kabinet ‘leeg leiderschap’ verwijt.

De tijd van het terugblikken begint, dus laat ik de politiek van 2017 vast even typeren: het jaar van de beteugelde buitenstaander.

Je vergeet die dingen, maar begin 2017 waren we nog in de ban van een aanstaande volksopstand. Het is dit weekeinde precies een jaar geleden dat Wilders zijn hoogste virtuele score in de campagne haalde: 36 zetels bij Maurice de Hond.

Zo gebeurde het dat media destijds niet meer twijfelden waar de verkiezingen van maart over zouden gaan: identiteitsverlies en boze burgers – de thema’s die de campagne inderdaad domineerden.

Het bleek een opgepompt angstbeeld. We kregen ten slotte een normaal kabinet, en de Nederlandse politiek is intussen weer ouderwets in zichzelf gekeerd – alsof er niets is voorgevallen.

Burgers, partijleden, wetenschappers, beroepsbeoefenaren met een verkeerde mening: zij worden weer stuk voor stuk terechtgewezen door politici, van coalitie en oppositie, die het beter weten.

Neem de oogst van de afgelopen week.

Leidende PvdA’ers verklaarden in een boek van NOS-verslaggever Wilco Boom wat een bijster slecht idee het vorig jaar was partijleden een nieuwe leider te laten kiezen. Het was „een nachtmerrie in wat het deed, met de partij, met ons en met de sfeer”, zei Lodewijk Asscher.

Het idee dat beslismacht van leden goed is voor een partij, dat leiders baat hebben van interne democratie: het is alweer passé (en niet alleen in de PvdA).

Dankzij Nieuwsuur werd woensdag bekend dat het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie eerder conclusies moest aanpassen omdat de politieke leiding dit voorschreef.

Ga weg, wetenschappers, met je eigen inzichten en ongemakkelijke conclusies.

Thierry Baudet kondigde donderdag in De Telegraaf aan dat hij schoolboeken gaat ‘doorspitten op vooroordelen’ en op ‘schooltour’ gaat. Dit na klachten van, aldus Baudet, ‘minstens duizend’ leerlingen over linkse docenten.

Een Kamerlid als opsporingsdienst van verkeerde vooroordelen in het land.

Intussen zorgen Haagse spelers ervoor dat alle stapjes aandacht krijgen waarmee minister van Binnenlandse Zaken Ollongren (D66), met spoed, een einde maakt aan het raadgevend referendum.

De coalitie die korte metten maakt met burgers die dachten mee te mogen beslissen.

Ziedaar het verloop van 2017. Wat begon met een open oor voor zorgen van burgers, boos of niet, eindigt in het omgekeerde: politici aan het stuur, en buitenstaanders die maar hebben te luisteren.

Je kunt natuurlijk zeggen: maar zo hoort het ook. We hebben die politici niet voor niets. De vraag is alleen of de ontevredenheid over de democratie, waarbij vooral lageropgeleiden klagen over een gebrek aan zeggenschap, zich op deze manier niet eerder verdiept.

Het probleem met dat vraagstuk is dat de meeste politici het uitstekend begrijpen – maar dat ze amper tijd hebben om na te denken over oplossingen.

Er komt erg veel op beginnende coalitiepolitici af. Vaste overlegmomenten op maandag, dinsdag (tweemaal), donderdag, vrijdag. In een vierpartijencoalitie is het altijd te druk. Vicepremier Hugo de Jonge (CDA) heeft al om een grotere vergadertafel op zijn werkkamer gevraagd, omdat bij het coalitieoverleg op maandag (met Rutte, de drie vicepremiers en de vier fractievoorzitters) ook minister van Financiën Wopke Hoekstra doorgaans aanschuift.

Stijlverschillen worden duidelijker. VVD- en CDA-politici voelen zich van nature thuis in een coalitie die zich als blok opstelt. Een partij als D66, in zeker opzicht ook de CU, zoekt intuïtief een eigen rol.

PvdA-kopstukken zeggen binnenskamers dat hun partij tijdens Rutte II steeds meer werd afgekneld door de VVD – vooral D66 is beducht voor een zelfde fuik. Vandaar dat die partij nu al ruimte claimt.

Dus vlak nadat Nieuwsuur woensdag het verhaal over het WODC bracht, riep Pechtold minister van Justitie Grapperhaus (CDA) meteen ter verantwoording.

Het is niet zonder risico. In talrijke dossiers ontstond de indruk dat onder toenmalig justitieminister Opstelten (2010-2015) feiten werden gekneed. Denk aan de Teeven-deal, de Nationale Politie. En bedenk dat dit de politieke vader van de premier was: de realisatie van VVD-beleid had vaak meer gewicht dan het verschaffing van correcte informatie – aan de Kamer en de burger.

Bij de krimpende belangstelling voor leiderschapsverkiezingen binnen partijen zie je iets vergelijkbaars. De leiders van bijna alle grotere partijen danken hun relatief sterke positie aan ledenreferenda: Rutte (2006), Buma (2012), Pechtold (2006), Asscher (2016) werden zo gekozen.

Maar sinds hun verkiezing is er in hun partijen beduchtheid voor nieuwe leidersverkiezingen ontstaan. En dus zijn ze alleen nog voor medezeggenschap zolang het uitkomt: de keuze die ze allemaal maken.

Inzake het plan het raadgevend referendum te schrappen speelt dat natuurlijk ook: als de uitslag van het Oekraïnereferendum traditionele partijen bevallen was, zouden ze nu minder haast maken met beëindiging.

Evengoed lieten de initiators zelf ook de zwakte van het instrument zien. De één bleek het niet om het Oekraïneverdrag te gaan: „Oekraïne kan ons niets schelen.”

De ander schold twee mede-campaigners, Thierry Baudet en Jan Roos, uit voor „egomane opportunisten” toen zij daarna de politiek ingingen.

Tegelijk merk je dat de afschaffing van het raadgevend referendum gevoelig ligt in D66. Pechtold heeft duidelijk gemaakt dat hij ervan af wil. Zijn congres steunt hem. Maar bij voorbeeld oud-Kamerlid Boris van der Ham, die ik deze week in de Kamer sprak, is ontevreden.

Hij vertelde dat hij nooit hartstochtelijk voor een raadgevend referendum was. Toch was hij als Kamerlid (2002-2012) mede-initiator „om de kiezer kans op correctie te geven”.

Voor hem cruciaal. In de Kamer verwateren opvattingen door coalities en fractiediscipline. „In de kantine zijn debatten levendiger dan in de Kamer zelf.”

D66 zal de storm wel doorstaan, denkt hij. „Maar je bent als partij óók verantwoordelijk voor kiezers die niet op je stemmen.” En het is de taak van alle partijen dat mensen kans krijgen hun onvrede te agenderen. „Geef ze een stem.”

Hij noemde het „leeg leiderschap” dat het kabinet geen alternatief aanbiedt voor de afschaffing. „Stel je voor dat deze middencoalitie faalt?” zei hij. „Dan zal de genegeerde burger des te harder terugslaan.”

Dit leek me een sterk argument. De hyperboze burger van dit voorjaar was een karikatuur. Maar de uitslag en de formatie hebben de grondslag van het onbehagen over de democratie niet weggenomen: elk onderzoek wijst erop dat vooral lageropgeleide burgers méér invloed opeisen.

Het zou in theorie kunnen dat de staatscommissie-Remkes, die het tweekamerstelsel onderzoekt, een doorbraak bewerkstelligt. In het regeerakkoord is het CDA-idee van een Duits kiesstelsel impliciet genoemd: een combinatie van evenredige en regionale vertegenwoordiging. Invoering zou jaren vergen.

Dus het grote gevaar dat dit jaar groeide, is dat we ouderwets terugvallen op onderdrukking van het onbehagen: op politici die denken dat alles vanzelf weer goed komt.

SCP-onderzoekers Paul Dekker en Josje den Ridder, auteurs van de driemaandelijkse rapportages over de stand van het land (‘Burgerperspectieven’), publiceerden er laatst over in het Jaarboek van Griffiers.

Burgers zijn het stadium voorbij, schrijven zij, dat zij een ‘positieve’ bijdrage aan het bestuur willen leveren: zij willen hun wantrouwen uiten.

Dus het onverstandigste wat politici kunnen doen is „meer directe democratie afwijzen vanuit de elitaire onderbuik”. Het is een oud verhaal, zeggen zij: „De oplossing van problemen van de democratie is altijd: meer democratie.”

Dus niet de beteugeling van de buitenstaander is de weg voor Den Haag: dat is de omarming van de buitenstaander.