Tuinkabouters

Vorige week ging het over antwoorden die je – yes! - meteen ziet, en die dan toch niet kloppen. Omdat je net even langer had moeten nadenken en net even anders naar de vraag had moeten kijken. Deze vraag gaat ook om zoiets.

Hij gaat zo. In een fabriekshal staan vijf ratelende machines. Elke vijf minuten maken die machines vijf tuinkabouters. Tot de fabrieksdirecteur er 95 machines bij koopt. Hoeveel tuinkabouters worden er dan elke vijf minuten in die fabriekshal gemaakt?

Dat zie je snel genoeg. Vijf plus 95 machines, dat is honderd, ofwel 20x5 machines en die maken in vijf minuten 20x5=100 kabouters. Ga maar na.

Alleen: de directeur heeft pech. Al snel zijn 88 machines kapot. Er zijn er dus twaalf over. Hoe lang doen die erover om twaalf kabouters te maken?

Vijf minuten? Als elke machine in vijf minuten een kabouter maakt, dan maken twaalf machines in vijf minuten natuurlijk twaalf tuinkabouters.

Maar: wie zegt dat elke machine steeds één hele kabouter maakt? Misschien maken steeds vijf machines samen één kabouter, in één minuut dus? Dan doen vijf machines samen vijf minuten over vijf kabouters. En dan maken tien van de twaalf machines in vijf minuten.... tien kabouters. Als deze machines twaalf kabouters moeten maken, dan hebben ze samen zes minuten nodig. Zie je?

Het kan nog anders: vijf machines doen samen vijf minuten over vijf kabouters – die er dan allemaal tegelijk uitrollen. Dan lukt het niet om precies twaalf kabouters te maken. Wat wel lukt: in tien minuten twintig (en dus in elk geval twaalf) kabouters maken.

Dat had je vast niet meteen gezien!

    • Margriet van der Heijden