Column

Mededogen

De Stad Uit (7)

Veel Amsterdammers denken er stiekem weleens over na: de stad uit, weg van de drukte. Journalist en radiomaker Petra Possel (54) deed het. Na 30 jaar Amsterdam verhuisde ze naar een klein dorpje in Friesland. In NRC brengt ze regelmatig verslag uit.

‘Hey Friesland!”. Op een troosteloos parkeerterrein van een theater word ik toegeschreeuwd door een Friesland-immigrant. Ik herken hem meteen, hij woont in een dorp tien kilometer verderop. Ze hebben daar een goede Italiaan en sinds ik dat weet slinger ik regelmatig de dijk af om pasta vongole of pizza salsiccia te eten. Het is er altijd druk en gezellig en de uitbaters kusten me al na twee bezoeken op beide wangen.

De Friesland-immigrant heeft een grote boerderij die hij van de vloer tot de nok stijlvol verbouwde, ik las erover in de bladen. We verkozen beiden het platteland boven de stad, maar zijn voormalige grotestadsleven was mondainer dan het mijne. In zijn arena van toneel, film en televisie is het usance elkaar met luchtzoenen en ‘lieve schat’ te begroeten.

Het is een wereld van schone schijn.

„Fryslân boppe!”, roep ik terug en hij nodigt me uit backstage te komen. In de wachtruimte achter het toneel hangt een gezelschap van bekende acteurs wat verveeld te zappen. Ze laden zich op, het eten is net achter de kiezen, over een uur moeten ze spelen. De Friesland-immigrant en ik wisselen ondertussen in hoog tempo informatie uit over ons platteland: waar we eten, waar we komen, wie we kennen, hoe we wennen. Ten slotte zegt hij: „Laten we gauw samen eten, bij de pizzeria, gezellig.” „Ja, gezellig”, zeg ik en ik meen het.

Een paar weken later staat er op de voorpagina van de grootste krant van het land een foto van de Friesland-immigrant en van zijn boerderij. Hij heeft zijn werk per direct neergelegd, hij heeft grensoverschrijdend gedrag vertoond, er zijn talloze verklaringen naar buiten gekomen. Het doek is gevallen, de aasgieren zwermen al met telelenzen om zijn plattelandsdomicilie.

Aan wat ooit de Zuiderzee was, overdenk ik de zonde van de mens.

Mijn weerzin tegen seksuele intimidatie en machtsvertoon is diep, het bleef ook mij als jonge vrouw niet bespaard. Mijn bewondering voor mensen die, ook al is het jaren nadien, hardop durven te praten over dat wat hen is aangedaan is groot. Ik ben met hen.

En toch voel ik, al is schuld en boete mij met de paplepel ingegoten, ook mededogen. Aan een donker en woest golvend IJsselmeer zingt zacht Bach rond in mijn hoofd. ‘Erbarme dich, mein Gott’.

Wie verloochen ik?

Ik wil het niet, maar het is er.

Mededogen voor een Friesland-immigrant die een vriend had kunnen worden.