De 'sneeuwman’ is gewoon een Himalayabeer

Illustratie Irene de Goede

Reuzengrote voetstappen in de sneeuw. Botten en plukken haar in musea. Wazige foto’s en filmbeelden. En talloze verhalen. Daaruit bestaat het ‘bewijs’ dat de yeti, of Verschrikkelijke Sneeuwman, echt bestaat. Wat denk jij, leven er écht rechtoplopende, harige aapmonsters in de Himalaya...? Zoals in Kuifje in Tibet?

Heel veel mensen denken van wel. Al meer dan 2.000 jaar vertellen ze er verhalen over. En 200 jaar geleden bereikten die verhalen onze westerse wereld. Britse Himalaya-ontdekkers vertelden er thuis over. De bergbeklimmer Reinhold Messner zag een yeti in 1986. Tenminste: dat dacht hij. Het liet hem niet los. Twaalf jaar lang zocht hij naar de yeti. Hij schreef er zelfs een boek over. Maar uiteindelijk bedacht hij: de yeti bestaat niet echt. De sporen en de haren en de schimmen zijn niet van aapmonsters, maar van grote beren.

Reinhold heeft gelijk, zo ontdekten onderzoekers uit vijf verschillende landen. Samen onderzochten zij het DNA uit de ‘yeti-botten’, ‘yeti-tanden’, ‘yeti-haren’ en ‘yeti-poep’ uit musea. Ze vergeleken het met DNA van andere diersoorten. Dat was wel eerder gedaan, en daar kwam ook iets beerachtigs uit. Maar dat onderzoek was klein en rommelig, met oudere technieken. Het ‘yeti-DNA’ leek het meest op dat van een primitieve ijsbeer, vond een bioloog toen. Misschien was de yeti een nog onbekende tussenvorm van ijsbeer en bruine beer? Maar andere biologen geloofden dat niet. Zij vonden dat je met die techniek niet zo precies kon zeggen: het DNA komt dáár vandaan. Het yeti-raadsel bleef onopgelost.

Het vijflandenteam keek dit jaar naar veel méér DNA uit museum-yeti’s. En het gebruikte de modernste technieken. Toen kwam er iets anders uit. De rare ‘ijsbeer’ was gewoon een Himalaya-beer, een neefje van de Europese bruine beer. Andere ‘yeti-haren’ en ‘yeti-botten’ waren van de Tibetaanse bruine beer (weer een ander neefje) en van de Aziatische zwarte beer. Alleen één tand was niet beer. Maar ook niet yeti. Het was hond.

De onderzoekers ontdekten nog wat leuks. De Himalaya-beer bleek al 650.000 jaar apart te leven van de andere bruine beren – twee keer zo lang als zijn Tibetaanse neef. Waarschijnlijk is hij tijdens een vroege ijstijd gevlucht naar kale bergtoppen die boven de ijskap uitstaken. En is hij sindsdien hoog in de Himalaya gebleven. Daar waar de hellingen steil zijn en de sneeuw diep. Waar je maar beter groot en harig kunt zijn. En waar het soms makkelijker is om even op twee benen te lopen.

Bron: Proceedings of the Royal Society B, 28 november.
    • Nienke Beintema