Bijl uit de Steentijd opgezogen uit zee

Een Neanderthaler moet de vuistbijl zijn verloren in de vlakte waar nu de Noordzee ligt. Remco Mouthaan heeft hem gevonden.

In de Steentijd was de Noordzee nog een weidse vlakte met brede en smalle rivieren. Je kon er goed jagen, op paarden, mammoeten, wolharige neushoorns en rendieren. De jagers waren geen mensen zoals jij, maar Neanderthalers. Het waren stoere mannen en vrouwen, stevig en sterk.

Ergens op die grote vlakte raakte een Neanderthaler tienduizenden jaren geleden zijn kostbaarste bezit kwijt: zijn stenen vuistbijl. Met een vuistbijl kon je bíjna alles in de Steentijd. Dieren slachten, hout bewerken, stenen mesjes maken en zelfs een vuurtje aanmaken.

Deze vuistbijl was extra bijzonder. Hij was niet gemaakt van vuursteen, zoals de bijlen van andere Neanderthalers in de groep, maar van kwartsiet. Er zaten spikkels in de bijl die prachtig fonkelden in het zonlicht.

Het kwartsiet kwam helemaal uit België, meer dan 170 kilometer verderop. Je snapt wel dat de Neanderthaler zuinig was op zijn bijzondere bijl. Hij droeg de bijl altijd bij zich. En als er een randje was afgesleten, scherpte hij het weer aan.

Toch raakte de Neanderthaler zijn bijl op een dag kwijt. Misschien liet hij hem per ongeluk in het water vallen. Of misschien vergat hij de bijl op een ochtend, toen hij zich verslapen had en haastig zijn spulletjes bij elkaar moest pakken. Hoe het echt gegaan is, zullen we nooit weten.

Wat we wél zeker weten is dat de vlakte later de Noordzee werd. Een paar jaar geleden werd de vuistbijl met zand opgezogen door een baggerschip en weer opgespoten op de Tweede Maasvlakte. Daar heeft Remco Mouthaan uit Spijkenisse de bijl vorig jaar gevonden.

Het was een bijzondere bijl. Dat zagen archeologen meteen.

Bron: Grondboor & Hamer, 2017