Waar blijven de doden

Daniel Kehlmann

In zijn bewerking van de verhalen van Tijl Uilenspiegel verplaatst de Duitse romancier de nar naar de 17de eeuw, waarin hij getuige is van de Dertigjarige Oorlog.

Tijl Uilenspiegel, zoals afgebeeld in Henri Van Daels 19de-eeuwse bewerking van De Costers boek Tekening Klaas Verplancke

Het gebladerte fluistert, in waterkolkjes zijn de roepende gezichten van de te vroeg gestorvenen te ontwaren. Op de paden staan voetafdrukken van het kleine volk. Een draak in Holstein berust erin dat niemand hem ooit heeft gevonden en nooit meer zal vinden wanneer het geloof in hem eenmaal is verdwenen.

Het 17de-eeuwse Midden-Europa dat Daniel Kehlmann (1975) schetst is nadrukkelijk een land waar geloof en magie nog even zwaar wegen als de oprukkende moderne wetenschap. Het vormt het decor van Kehlmanns hervertelling van de verhalen van Tijl Uilenspiegel, de rondreizende nar die overal waar hij komt een minderheid vermaakt en een meerderheid schoffeert.

De historische wortels van Tijl Uilenspiegel zijn ongewis, maar verhalen over hem worden sinds de Middeleeuwen verteld en opgetekend. Door de nar naar het Europa van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) te verplaatsen, treedt Kehlmann in de voetsporen van Charles de Coster, die in 1867 Tijl eenzelfde tijdreis liet maken in La légende d’Ulenspiegel.

In Tijl treffen we de nar aan op verschillende plekken in een door oorlog verschroeid Europa, een oorlog die Kehlmann als volgt samenvat: ‘Hij was nu eens gegroeid, dan weer gekrompen, hij was wat heen en weer gekropen, had het noorden verwoest, zich naar het westen gekeerd, een arm naar het oosten en een naar het zuiden uitgestoken, zich met zijn volle gewicht op het zuiden gestort en was daarna weer een poosje in het noorden neergestreken.’

In elk van de acht hoofdstukken van het boek treffen we Tijl elders in Europa aan, vaak in het gezelschap van historische hoofd- en bijrolspelers in die oorlog. Tijl is een tijdje hofnar bij de keurvorst van de Palts, Frederik V, en zijn vrouw Elisabeth Stuart, die in ballingschap in Den Haag wonen na hun kortstondige koningschap van Bohemen dat de oorlog pas echt deed ontvlammen in 1620. Later is Tijl aan het keizerlijke hof in Wenen, en tenslotte in Westfalen om de vredesonderhandelingen op te luisteren.

In het prachtige eerste hoofdstuk zaait Tijl verdeeldheid in een dorp waar iedereen tot voor kort redelijk ongeschonden de oorlogsjaren had doorstaan. Kehlmann schetst de vrome dorpelingen zo: ‘We baden tot de hoorndragers van weleer en tot Sint-Maarten, die de helft van zijn mantel aan een bedelaar gaf die het koud had, zodat ze daarna allebei God behaagden en het allebei koud hadden.’

Onaangepast en boosaardig

Tijls grapjes zijn vaak flauwer dan de lange adem van zijn reputatie doet vermoeden. Hij is onaangepast en boosaardig en niet te vertrouwen. Hij is ook soeverein en ongrijpbaar. In het meest zachtmoedige hoofdstuk beschrijft Kehlmann met grote precisie Tijls jeugd. De jonge Tijl is een scharminkel, wonder boven wonder het enige kind van zijn ouders dat blijft leven, wat voor zijn vader en moeder een reden is om zich niet teveel aan hem te hechten. Zijn vader Claus, molenaar, spendeert hele dagen alleen op zolder waar hij zich in alchemie verdiept en door zijn dakraam de baan van de maan bestudeert.

Twee passanten, dokter Tesimond, waarvan de historische variant betrokken was bij het buskruitcomplot dat de Anglicaanse koning van Engeland uit de weg moest ruimen, en geleerde Athanasius Kircher, krijgen hoogte van de zo ongepaste hobby van de molenaar. Claus wordt berecht en opgehangen volgens de logica van de tijd, die Kehlmann verscheidene keren benadrukt: de geest heeft het bij het rechte eind, en als de werkelijkheid daar niet mee overeenstemt dan ligt dat aan gebrekkige, door de duivel gesaboteerde observatie. Tijl ontvlucht het domet het bakkersmeisje het dorp en begint zijn rondtrekkend bestaan.

Net als in de roman die Kehlmanns doorbraak betekende, Het meten van de wereld, beent de auteur ook in Tijl de grenzen tussen wetenschap en (bij-)geloof uit, tot het de lezer duizelt. Het duizelt de personages ook herhaaldelijk; als ze in dieptes of in hoogtes staren, als Tijl denkt aan de weidsheid van de wereld die hij kan ontdekken, of Claus aan het peilloze gat van de geschiedenis.

De Vrede van Westfalen (1648) wordt wel beschouwd als het moment waarop religie iets voor binnenshuis werd en wetenschap een universele factor. Op dat scharnierpunt – daar waar gespeculeerd wordt over de substantie van engelen en soldaten weliswaar over vuurwapens beschikken maar ook denken met een spreuk de kogel van baan te kunnen veranderen – zit nu Tijl, even echt als fictief, man van vele gedaanten, een uitstekende imitator en bewezen onsterfelijk. Waar zijn de doden, als we ze niet langer in bomen en beken herkennen, lijkt Kehlmann te vragen, waar blijft de geschiedenis, als tijd een wetenschappelijke functie wordt. De nar, de kunstenmaker, is de enige die het ravijn dat ons van het verleden scheidt beslecht met het gemak waarmee hij over zijn koord danst.

Lees ook: ‘Het is fijn te lijden aan de roem’

Tijl geeft Elisabeth Stuart een wit schildersdoek cadeau. In de joyeuze vertaling van Josephine Rijnaarts met deze woorden: ‘Het is magie, kleine Liz. Wie buitenechtelijk geboren is, kan het niet zien. Wie dom is, ziet het niet. Wie geld heeft gestolen, ziet het niet. Wie iets in zijn schild voert, niet te vertrouwen is of opgroeit voor galg en rad, wie een slijmbal is of een ploert of een onbeschofte hark, kan het niet zien, hij ziet een leeg doek.’ En aldus geïnstrueerd stamelt en stottert het bezoek van Liz verlegen ten overstaan van het doek.

De vertelling van Kehlmann, zoals ieder kunstwerk in zekere zin, is een vergelijkbaar verraderlijk doek. Tijl is niet een afgerond verhaal, maar dat moet liggen aan de aard van de hoofdpersoon. Want voordat de ene episode goed en wel is verteld, net wanneer je de jonge Tijl hebt leren kennen, of net wanneer Elisabeth Stuart een vrouw van vlees en bloed is geworden, trekt Tijl verder en overbrugt Kehlmann jaren en windstreken met een witregel. Dat maakt het boek een tikje pesterig, wat ruimschoots wordt gecompenseerd door de taal van Kehlmann. Met Tijl levert hij de streek van de nar.

    • Nynke van Verschuer