Column

Stoomlocomotief

In de trein een gesprek met een rode jas met een button van marktonderzoeksbureau Ipsos, zo’n mens dat met een scanner langskomt om te registreren wat voor soort vervoersbewijs je hebt. Maar even niet: hij lag een bankje verderop in de coupé, eerste klas natuurlijk, en had het telefoongesprek dat ik voerde meegeluisterd.

„Sterkte”, zei hij toen ik de telefoon in de jaszak liet glijden. „Ik weet wat u doormaakt. U bent toch gestopt met roken..?”

Nog voor ik iets kon zeggen: „Nou, ik ook!”

Eigenlijk wilde ik helemaal niet praten, en al helemaal niet met een vreemde die ook nog een soort van controleur was, maar deze man was er duidelijk beroerder aan toe dan ik en dan maak ik graag een uitzondering.

Monoloog.

Z’n hele leven conducteur geweest, afwisselend werk wel, na z’n pensionering bij de Ipsos gegaan om toch maar in een trein te kunnen wezen, vanaf z’n dertiende gerookt, hartfalen en nu op doktersadvies aan de Champix, blauwe pillen waarvan hij ging zweten.

„En me wijf rookt gewoon door!”

Hij herhaalde de zin, nu met als toevoeging: „En ik heb het al zo moeilijk want ik denk de hele dag aan sigaretten.”

Wilde hij even delen met een lotgenoot. Want ik was ook gestopt, had hij me zelf horen zeggen in mijn telefoon.

„Kom ik straks thuis zit zij daar weer achter de asbak. Heeft u ook een rokende vrouw?”

Ik zei dat de aanleg voor verslaving erfelijk is en dat mijn opa in de oorlog toen er geen sigaretten meer waren een heel tapijt had opgerookt, maar daar reageerde hij niet op.

‘Hebt u ook zo’n jeuk aan de benen? Ik krijg er rode bultjes van, echt waar.” Hij stroopte een broekspijp omhoog.

Ik zag niets, maar dat kon ook komen doordat ik niet goed keek.

Hij kon zich nergens meer op concentreren, begon ’s morgens al. De melk was overgekookt, zij commentaar geven, nou ze kon ’m krijgen.

„Niet lichamelijk hoor, zo ver ben ik nog niet.”

- „Maar wel bijna…”, vulde ik liefdevol aan.

Hij: „Nee, hoor. Schelden.”

Ik: „Wat dan?”

Hij: „Dikke stoomlocomotief.”

Een bijna ontroerend stukje beroepsdeformatie.

We waren het er snel over eens dat hij dat ‘dikke’ beter niet had kunnen zeggen, maar goed, zo ging dat nou eenmaal als je gestopt was met roken, leuker werd je er niet van.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.