Hier werd de maanlanding voorbereid - nu kan je er skiën

Op de Pic du Midi in Frankrijk is het zicht op de hemel ontzettend helder. Vanaf die plek, bijna tussen de sterren, kun je naar beneden skiën.

Het observatorium op Pic du Midi. Foto Christophe Lehenaff/Getty Images, Illustratie Olf de Bruin

Het lampje van de benzinemeter brandt al een half uur. Mijn huurauto, een donkergrijze Fiat 500, vecht tegen de zwaartekracht. De weg kronkelt. Het landschap lijkt na iedere bocht witter en ruiger te worden. Het laatste slaperige dorpje is gepasseerd. Attention! Dernière boulangerie! waarschuwde een bord kilometers geleden. Het tankstation waar ik sinds het verlaten van de snelweg op hoop, heeft zich nog niet aangediend. Het blauwe pijltje op de routeplanner dat mij moet voorstellen kruipt tergend langzaam richting het zwart-witte vlaggetje dat de plek moet voorstellen waar ik inmiddels al lang had moeten zijn.

Vanavond overnacht ik tussen de sterren, op 2.877 meter hoogte in het observatorium van de Pic du Midi, aan de Franse kant van de Pyreneeën. Morgenochtend ski ik off-piste met een gids weer terug. Tenminste: als ik de laatste lift naar boven haal. Die gaat om half vijf vanuit La Mongie. Het is nu bijna vier uur en ik moet nog ski’s huren.

De Pic is niet zomaar een berg. Sinds 1880 worden op de top meteorologische en astronomische observaties gedaan. De 105 meter hoge zendmast aan de westkant is voor mobiele netwerken, televisiestations en militaire communicatie. Météo France heeft er een automatisch weerstation dat onder meer de temperatuur, atmosferische druk, vochtigheid, regenval, sneeuwhoogte en radioactiviteit meet. De Pic is bovendien de hoogste bewoonde locatie in de Pyreneeën. Het hele jaar door verblijft hier een handjevol wetenschappers en vaste staf.

La Mongie is een lelijk dorpje, tenzij je liefhebber bent van betonnen appartementencomplexen. Wielerfans kennen deze plaats van de Col du Tourmalet, de moeilijkste klim in de Tour de France. Nu, eind maart, zitten er vooral wintersportende pensionado’s op de terrassen. Ik parkeer de Fiat, meld me bij de skiverhuur en kom hijgend – maar op tijd! – aan bij de kabelbaan. Het dorp zinkt weg in het dal. Hoog boven mij zie ik het decor van een Bondfilm opdoemen. Een bevroren fort: witte koepels en beton steken af tegen het sneeuwlandschap. In de verte cirkelt een helikopter. „Als-ie op deze manier vliegt, is-ie waarschijnlijk naar iemand op zoek”, mompelt de liftbediende. „Oh, zijn er hier vaak lawines?” Ik probeer nonchalant te klinken. Er komt geen antwoord. Ik stel mijn gedachten over de terugtocht nog even uit.

La casserole

Soms komen er overdag tot wel 2.500 bezoekers naar de top om te genieten van het uitzicht. Deze dagjesmensen nemen aan het eind van de dag de cabine naar beneden, maar wie het ervoor over heeft kan voor 200 euro blijven slapen in een van de vijftien ‘hotelkamers’: voormalige slaapvertrekken van onderzoekers en technici.

Zo’n twintig mensen hebben vanavond zo’n ‘soirée etoilée’, sterrennacht, geboekt. We worden welkom geheten door Jean-François Rechoulet, een serieuze dertiger met een zachte stem. De ligging en de zuiverheid van de lucht maken deze plek perfect voor het bestuderen van zowel het heelal als het landschap, zegt hij. Op een heldere dag kun je hier tientallen kilometers ver kijken. „Van Catalonië tot Baskenland.” Vandaag komen we niet verder dan Toulouse. Het maakt de zonsondergang, met gouden stralen die door het wolkendek heen prikken, niet minder indrukwekkend.

We gaan sterren kijken. In de vrieskou en het donkerste donker – er is hier nauwelijks lichtvervuiling – geeft Jean-François een rondleiding door de hemel. Met een laserpen wijst hij de sterrenbeelden aan: daar staat de Boogschutter, daar de Grote Beer die ze ook hier la casserole (het pannetje) noemen, daar Orion en zijn honden. Door een van de telescopen turen we naar Jupiter. In de jaren vijftig werd hier een telescoop met een doorsnede van een meter geplaatst, vertelt Jean-François. De NASA gebruikte die om de eerste maanlanding voor te bereiden.

Lawinepieper

De volgende ochtend na het ontbijt staat gids Claude Etchelecou op me te wachten. Claude is 62 jaar oud en in topvorm. Neuriënd hangt hij een lawinepieper om mijn nek en gespt hij een rugzak met airbag op mijn rug. Ik vraag hem of deze veiligheidsuitrusting echt nodig is. Zelf heeft hij nooit iets meegemaakt, antwoordt hij, maar een goede vriend van hem is een paar jaar geleden in een lawine gekomen en verongelukt. „Geen zorgen, dat was aan de andere kant van de berg en onder andere omstandigheden.” We nemen ‘La Classique’ een afdaling die volgens Claude vergelijkbaar is met een „donkerrode piste”. Maar dan wel ongeprepareerd.

Het observatorium. Foto Wikimedia Commons

Het eerste stuk is steil en ijzig. Ik heb kramp in mijn bovenbenen en kom al snel tot de conclusie dat minstens één van de vier lagen die ik heb aangetrokken overbodig was. Na een te scherpe bocht ga ik onderuit en gaat mijn rechterski zonder mij verder. Claude schiet te hulp. Na nog een minuut of 10 ploeteren strekt zich een ongerepte afdaling voor ons uit.

Ik zweef door de poeder. Ik zie enkel blauwe lucht en sneeuw en hoor geen ander geluid dan de wind en het glijden van mijn ski’s. In de toeristenboekjes staat dat deze tocht 10 kilometer lang is. Maar dat is onzin, zegt Claude als we zo’n 40 minuten later beneden zijn. In werkelijkheid is het hoogstens 7. Door het veranderende klimaat is de afdaling trouwens lang niet altijd mogelijk. Dit jaar kon hij pas in januari skiën vanaf de Pic.

In La Mongie lever ik mijn ski’s in en zwaai ik vanuit de auto naar Claude. Op het dashboard brandt een rood lampje. Ik zet de motor uit en laat de zwaartekracht het werk doen. Nog 27 kilometer tot het dichtstbijzijnde tankstation.

Deze reis werd deels gesponsord: NRC betaalde de vlucht en vervoer ter plaatse, overnachtingen en skikosten zijn betaald door Atout France, het Frans bureau voor toerisme.