Sinterklaas sloeg deze jongen over, want er is thuis geen geld voor

Kind en geldgebrek

Een jongen van acht vertelt met zijn moeder over hun leven zonder geld. Dankzij gemeentelijke potjes voetbalt hij, is hij lid van de bibliotheek, kan hij naar het museum. Maar hij moet werkjes doen voor zakgeld en eet vaak miesoep en macaroni zonder saus.

Illustratie NRC

Ik heb morgen een probleem, dacht een jongen van acht afgelopen dinsdag, een paar uur voor pakjesavond. Want morgenochtend, hoorde hij de juf die dinsdag zeggen, mogen alle kinderen om de beurt zeggen wat ze van Sinterklaas hebben gekregen. Zijn probleem: hij viert geen Sinterklaas, daar is thuis geen geld voor. Hij besloot het zijn juf te vertellen. „Sla mij maar over morgen”, zei hij. Dat vond de juf geen goed idee. Ze had een ander voorstel. Wat dacht hij ervan om een nepcadeau te verzinnnen?

En dus was er de ochtend na Sinterklaasavond in een dorpje niet ver van Hoorn een jongen die aan zijn klasgenootjes vertelde dat de Sint hem maar liefst twee spelcomputers had geschonken. Een Nintendo en een Xbox.

De jongen is een van de 378.000 in armoede opgroeiende, Nederlandse kinderen over wie kinderombudsman Margrite Kalverboer deze week rapporteerde. Kinderen die lijden onder het geldtekort thuis. Die geen geld hebben voor cadeaus bij kinderfeestjes. Die niet altijd meekunnen op schoolreisje. Die opgroeien in krappe huizen in onveilige, onrustige buurten.

Of die, zoals de jongen van acht, geen Sinterklaas vieren.

Zijn moeder wil met hem over het geldgebrek vertellen, op voorwaarde van anonimiteit – hun namen zijn bij de redactie bekend. De moeder is chronisch ziek en kampt met een tekort aan energie als gevolg van de bijwerkingen van haar medicijnen. Ze werkt niet, zit in de schuldsanering en mag van haar bewindvoerder per week 60 euro uitgeven. Moeder en vader gingen uit elkaar voordat de jongen zijn eerste verjaardag vierde. Zijn vader woont op zestig kilometer afstand; de jongen ziet hem hoogstens eens per week.

Lees ook dit interview met de Kinderombudsman: ‘Belang kind asielouders moet zwaarder meewegen’

Dagelijks droge rijst

Pal achter de voordeur leidt een trap zonder verf naar de huiskamer, gelegen op de eerste verdieping van een huizenblok met uitzicht op de doorgaande weg en een rij bomen. De grond van de woonkamer is bedekt met zeil dat hier en daar een gat vertoont en vlakbij de drempel naar de keuken een forse scheur. Aan de keukendeur, die open staat en de woonkamer in draait, hangt een droogrek met kleren die bungelen op de kruin van moeder wanneer zij, zoals nu, aan de eettafel zit. Het gebungel op haar hoofd lijkt haar niet te deren – op de schaal van ontberingen telt dit ongemak niet mee. Naast de televisie staat een kleine spelcomputer, een Wii U, bij elkaar gespaard door moeder „in ongeveer een jaar tijd”.

En, wat heeft de jongen gisteravond gegeten? Hij denkt na. „Droge rijst met vissticks. En erbij komkommer”, zegt hij. Dagelijks eet hij droge rijst, spaghetti of macaroni – zonder saus dus. Eén keer per week eet hij pizza. En één keer per week miesoep. En soms twee keer per week. „Dat is lekker goedkoop”, zegt zijn moeder. „Je haalt vier van die pakjes miesoep voor een euro, kippenbouillon kost 1 euro 25, en dan heb je zo voor vier dagen eten. En ik weet dat hij het lekker vindt.” Groente lust hij niet, zegt moeder, behalve komkommer. „Groenten vind ik ook zo duur geworden. Probeer jij maar eens spinazie te halen, of broccoli.”

Als ontbijt krijgt hij een pakje knijpfruit en – als het er is – gewoon fruit. Moeder tegen zoon: „Wat is nu op en ga ik pas volgende week weer halen, met een beetje geluk?” Mandarijntjes, antwoordt de jongen. Heel af en toe heeft hij honger, en is er geen eten meer in huis.

Van de lokale voedselbank maakt moeder geen gebruik. „Ik heb het wel geprobeerd, maar het eten was vaak bedorven. Je kreeg verrotte appelen.”

Games van de bieb

Ze doet wel een beroep op tal van andere voorzieningen. Een zogenoemd ‘kindpakket’ – een gemeentelijke bijdrage à 300 euro per jaar voor armere kinderen. Een meedoenregeling voor minima à 150 euro per jaar. Steun van Stichting Leergeld, steun ook van de gemeente uit de geldpot voor thuiswonende zieken. Dus zit de jongen op voetbal, kan hij boeken lenen bij de bieb („en games”, vult hij aan), krijgt moeder een voordeelurenabonnement van de NS, hebben ze beiden een museumjaarkaart en komt een huishoudelijke hulp wekelijks drie uur schoonmaken. Kleren voor de jongen haalt moeder bij de lokale kinderkledingbank, waar ze zelf vrijwilligerswerk doet. De voedselbank hoort dus niet in dit rijtje thuis, zodat de jongen mogelijk vaker een museum van binnen ziet dan broccoli op zijn bord.

Moeder wil dat de jongen „zo min mogelijk meekrijgt” van de geldzorgen thuis, zegt ze. Maar het besef van gebrek is al tot de jongen doorgedrongen. Vraag hem wat er beter kan in zijn leven, en hij antwoordt eerst: „Meer games.” En meteen daarna: „En voor mama meer geld.” „Dat vind ik heel lief van je”, zegt zijn moeder. „Ja, maar ik meen het”, zegt het jongetje. Is hij in zijn hoofd met geld bezig? „Ja”, zegt hij. „We zijn bijna gewoon blut. Zowat hè. Ja, ik denk eraan.”

Oranje kater

Voor huishoudelijke klusjes krijgt hij geld van zijn moeder. Het Nationale Instituut voor Budgetvoorlichting raadt dit af (‘Gebruik zakgeld niet om uw kind te belonen of straffen!’), maar de economie van dit huishouden kent haar eigen logica. Twee euro per week krijgt de jongen voor vier taken, waaronder het dagelijks afdrogen van de vaat en het dagelijks opmaken van zijn eigen bed. Zijn vermogen bedraagt inmiddels zo’n honderd euro, geld dat hij nog van z’n moeder moet krijgen.

Zijn hulp in huis is welkom, want moeder heeft vaak last van duizeligheid, misselijkheid, wazigheid en pijnlijke knieën. Vorig jaar, ze was aan het afwassen, viel ze flauw in de keuken. „Ik was toen heel bang”, zegt de jongen. Hij schopte en schopte tegen zijn moeders voeten aan. „Je werd wakker en je was boos”, zegt hij. „Maar toen ik vertelde wat er gebeurd was, werd je rustig.”

Een groot gemis, naast dat van geld, is dat van zijn vader. Hij heeft hem nu drie weken niet gezien. Als zijn moeder tegen haar bezoek begint over zijn vader, dan zet de jongen zijn hardste stem op. „JE ZOU HET NIET OVER PAPA HEBBEN!’

Broertjes of zusjes heeft de jongen niet. Hij wilde een hond, maar dat was te duur. Nu heeft hij een kat. Een oranje kater. „Het is mijn kat, niet mama-ze”, zegt hij. Het verzorgen van de kat behoort tot de taken die hem per week 2 euro opleveren. Het dier is niet gevaccineerd. Dat kost te veel. Hij is ook niet gecastreerd. „Gevolg is wel dat hij buiten ontzettend agressief is naar andere katten toe”, zegt de moeder. Binnen gedraagt hij zich beter. Tegen haar zoon: „Het is af en toe net je broertje, hè?”

De jongen loopt de deur uit, hij wil buiten spelen. Zijn moeder laat hem gaan. Er wonen weinig kinderen van zijn leeftijd in de buurt, vertelt ze. Speeltuinen zijn schaars: ze liggen voorbij de drukke weg, of er hangen „pestkoppen” rond. De moeder kijkt uit het raam. „Ha, daar zul je hem hebben.”

Door het raam op deze eerste verdieping zijn de toppen van een boom te zien. Het lijkt geen ideale klimboom, maar de jongen zit er in, opvallend hoog, meters boven de grond.