Recensie

Schrik even in de spiegel, landgenoot

Rodaan Al Galidi

In scherpzinnige satire portretteert de Iraaks-Nederlandse schrijver de ‘gewone’ Nederlander.

Tekening Paul van der Steen

Niet alles in Duizend-en-een nachtmerries is even sterk, er zitten wat al te losse flodders bij, maar de betere verhalen van Rodaan Al Galidi bieden iets unieks in de Nederlandse literatuur. Scherpe zedenschetsen zijn dat, waarin hij de ‘gewone Nederlander’ weet te vangen én hem een spiegel voorhoudt. De verhalen staan voor iets groters: voor ‘ons’. Die botsing tussen het gewone en het vreemde is hét onderwerp van de Iraaks-Nederlandse dichter en schrijver Rodaan Al Galidi. Eerder portretteerde hij, tamelijk ijzingwekkend, het gewone Nederland in de zedenroman Hoe ik talent voor het leven kreeg. Hij beschreef zijn levenswandel als asielzoeker hier te lande, van azc naar azc, van kastje naar muur. Zo kan het hier dus zijn, leerde je als Nederlander: dit is het gewone, ál te gewone Nederland, gereguleerd en gestroomlijnd, zozeer dat de grilligheid (zeg maar: het gewone leven) in de verdrukking komt.

In Duizend-en-een nachtmerries, een bundel van zesendertig korte verhalen, gaat het in grote mate over de gewone Nederlander. Al Galidi zet, met de blik van de buitenstaander, ‘onze’ zeden neer, en dan vooral de manieren waarop we ons organiseren en waar we waarde aan hechten. Hoe we ons in de sauna hardop beklagen over de anderen die het spreekverbod negeren, hoe we ons druk kunnen maken over dat we uniek willen zijn.

Langzaamaan ontsporen de herkenbare taferelen, het realisme wordt zoetjesaan aangelengd met absurdisme. Zo word je als lezer steeds ontregeld: de titel is dan ook goed gekozen. Voor de lezende Nederlander is het soms verraderlijk: wat aanvankelijk doodnormaal aanvoelt, blijkt scherpzinnige satire. Je hebt pas in tweede instantie door dat je in een lachspiegel kijkt, of wacht, is het misschien een gewone spiegel? Voor die ontregeling lees je Al Galidi.

Tegenover die Hollandse zedenschetsen staan verhalen die meer op de geijkte nachtmerrie lijken, en die meer met dat andere deel van Al Galidi’s identiteit te maken hebben: de wereld waar hij vandaan komt. Over een corrupte geheime dienst, over een man die een talisman tegen terreur koopt, die blijkt te werken, totdat hij hoort dat het eigenlijk een talisman ‘tegen domheid’ was. Over een afgeknipte nagel van Saddam Hoessein, die alsnog doodsangst inboezemt.

Slapstickgesprek

Het beste verhaal, waarbij je jezelf hikkend van het lachen kunt aantreffen, brengt die twee werelden bij elkaar, met een botsing, en dat maakt het het spannendste uit de bundel. Het gaat over een Irakese migrant en een witte Hollandse vrouw, die naast elkaar wonen. Na een paar maanden, als Kim van Dijk op een dag in haar tuin ligt te zonnen, knoopt Abdulrahman Bedr Abdulrahman al-Baghdadi een praatje aan. Er ontstaat een slapstickgesprek dat uitmondt in tergende ongemakkelijkheid. Hij vindt dat zij een ‘erg erg erg bijzonder mooie naam’ heeft. Hij kletst haar de oren van het hoofd: ‘Grote stad, Bagdad. Tien miljoen mensen. Meer.’ Het gaat over shi’ieten, sunnieten, jihad, terreur: ‘Kim, die net naar De vier jaargetijden van Vivaldi had geluisterd, kreeg het benauwd van al die ellende die over de schutting heen kwam.’ Hij blijkt zich ook al haar bezoek te herinneren: ‘Ja, jouw ex. Hoe heet hij?’ En hij laat de langverwachte ontmoeting voortduren: ‘Sorry, buurman, ik moet weer plassen.’ ‘Ik wacht hier.’ Kim van Dijk verschanst zich daarna voorgoed in haar huis. Dat leidt tot een wat tragisch slot, waar het lachen je vergaat: Abdulrahman Bedr Abdulrahman al-Baghdadi vraagt zich af waarom ze haar gras nooit meer maait. ‘Hij wilde dat best voor haar doen, want ze waren tenslotte buren, maar de kans haar dat te vragen kreeg hij niet.’ Zo eindigt het verhaal, dat, veelzeggend én een goeie grap, ‘De terroristische aanslag op Kim van Dijk’ heet.

Het is een kort verhaal, voorbij voor je er erg in hebt, maar na afloop zit je met de vraag: wiens nachtmerrie was dit eigenlijk? De eerste suggestie is, ook door de titel: die van Kim van Dijk, die lastiggevallen wordt door die gekke, onaangepaste, irritante buurman. Maar is zij niet zelf ook een tikje onsympathiek, met haar ‘benauwdheid’? Het verhaal kiest geen kant, oordelen mag je zelf doen, maar Al Galidi heeft je precies daar gekregen waar goede literatuur je kan brengen: daar waar het ongemakkelijk is. Voor de spiegel.

    • Thomas de Veen