Recensie

Oorlog breekt door de vierde wand

Sorj Chalandon

Libanon, 1982, er woedt oorlog, en toch moet Antigone worden opgevoerd, als vlucht in de verbeelding. Sorj Chalandon, een Franse oud-oorlogsverslaggever, laat de lezer meespringen van ruïne naar verwoesting.

Kan kunst de wereld veranderen? Wat heb je aan een toneelstuk in een burgeroorlog? Wat kan het woord uitrichten tegen een tank? Het zijn deze vragen die de Franse schrijver en journalist Sorj Chalandon (1952) in zijn recent vertaalde roman De vierde wand indirect aan de orde stelt. De antwoorden luiden, niet verwonderlijk: nee en twee keer niets.

Maar daar gaat het hem niet om.

In De vierde wand raakt de Grieks-joodse regisseur Samuel Akounis geobsedeerd door het idee Antigone op te voeren in Libanon. Het is januari 1982, de burgeroorlog woedt, het land wordt verscheurd door vele strijdende partijen. Wie in Beiroet de straat op gaat loopt kans te sterven. Akounis heeft contact gelegd met de Palestijnen, de christelijke milities, Fatah, de Druzen en de sjiieten. Iedere partij blijkt bereid een korte pauze in te lassen, zodat het stuk kan worden opgevoerd. De acteurs die hij weet te ronselen behoren ieder tot de partijen die elkaar in het dagelijks leven op leven en dood bevechten.

Op zijn ziekbed draagt Akounis zijn missie over aan Georges, een jonge Franse collega en kersverse vader, die belooft zijn idee uit te voeren, hoe krankzinnig het ook is. Hij realiseert zich heel goed dat het ‘groots’ is, ‘ondenkbaar, onmogelijk, grotesk [...] Met een clownsneus op naar een land gaan waar de dood heerst’ en ‘uit elk kamp een soldaat wegplukken om de vrede te spelen’ – hoe haal je het in je hoofd, wat een utopie.

Georges is opgegroeid in een arbeidersgezin, hij heeft geleerd wat strijd is, wat knokken inhoudt, hoe ongelijkheid eruitziet. Hij wordt door de oorlog verleid, het idee van zijn vriend ‘het onvoorstelbare voor te stellen, het onmogelijke te realiseren’ sleept hem mee. Ook al verklaart zijn vrouw hem voor gek, ook al houdt hij van zijn pasgeboren dochter, hij gaat. Hij bezoekt het geïmproviseerde theater dat zijn vriend op het oog had, een ruïne ten westen van de demarcatielijn tussen de strijdende partijen, midden in de vuurlinie. Alles is er ‘verwoest en adembenemend’, het is een openluchtarena waarvan het dak door een ontploffing is weggerukt, waar ‘kogels zich een weg kunnen banen tot in het hart van de acteurs’.

Dat het hele plan – en niet alleen het plan – ten dode is opgeschreven, dat is de lezer vanaf de eerste bladzijden duidelijk. Dat je toch wilt dat het slaagt – dat is de verdienste van Chalandon, die jarenlang oorlogsverslaggever was. Het is zijn eigen ontzetting die hij overbrengt, zijn eigen onvermogen zich ooit weer aan het normale leven in vrede aan te passen die hij beschrijft. Ook als lezer spring je van ruïne naar verwoesting, van de ene militie naar de andere strijder, van stille observatie naar tankgebulder. Als een sluipschutter aan Georges vraagt naast hem te gaan zitten en zich tegen zijn been aan te schurken, urenlang, lijkt dat in eerste instantie literair-pathetisch. Toch houd je dat been vast, samen met Georges, gegrepen door het drama van een situatie met een hoog ver-van-mijn-bedgehalte.

Dan schep je ook als lezer je eigen vierde wand, die ‘onzichtbare schutting’, die ‘denkbeeldige façade die de acteurs aan de rand van het podium optrekken om de illusie te versterken’. Voor acteurs is het ‘een muur die hun personage beschermt’, een ‘grens met het reële’. Voor Chalandons personages is die imaginaire wand een vlucht in de verbeelding, weg van de bommen, een schuilplaats achter die ene muur waar de sluipschutter je niet kan raken.

Tijdelijk. Totdat die kogel je toch treft.