‘Nederland is mijn stiefmoeder’

25 jaar geleden gevlucht uit Bosnië

De Rotterdams-Bosnische lasser Hasan Huremovic haalde in de zomer van 1992 honderden Bosnische moslims naar Nederland. Het was de aanzet tot grootschalige opvang van oorlogsvluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië. Drie jongeren van toen blikken terug.

Foto's Merlijn Doomernik en Karoly Effenberger

Foto Karoly Effenberger

Amira Hasanovic: ‘Bot voor bot legden we het skelet van mijn vader uit in de huiskamer’

Amira Hasanovic (42) was 16 jaar toen ze de oorlog voor haar ogen zag uitbreken. Net als veel andere Bosnische moslims werd ze van de ene op de andere dag uit haar dorp verdreven. Haar vader, een politieagent, moest twee maanden in het bos onderduiken om uit handen van de Serviërs te blijven. Dat lukte uiteindelijk niet: hij werd geëxecuteerd en in een massagraf begraven. Zelf belandde Amira in de zomer van 1992 via de bussen van Hasan Huremovic in Nederland.

‘Rennen!’, roept mijn moeder. Beneden in het dal hoor ik Serviërs al schietend met hun kalasjnikovs door mijn dorp gaan. ’s Nachts vind ik in het bos mijn ouders terug. We zien de Serviërs onze huizen plunderen en horen ze het bos uitkammen, megafoons in de hand. ‘Geef je over’, roepen ze, ‘of we maken je af en je hele familie erbij’.

„Als de dag aanbreekt, blijkt dat sommige dorpsgenoten zich hebben overgegeven. De Serviërs drijven hen bij elkaar en dwingen de mannen op hun knieën. Die beginnen mijn vaders naam te roepen. Mijn vader wil naar het dal, maar mijn moeder houdt hem tegen. ‘Je gaat niet, dat wordt je dood’, zegt ze – en voor hij kan protesteren loopt ze zelf naar beneden. Later volg ik haar. Mijn moeder beent af op de leider, een bekende. ‘Wat doe je nou?’ briest ze tegen hem. Waarschijnlijk is het onsje schuldgevoel dat zij zo aanboort de reden dat we het overleven.

„De volgende dag moeten mijn moeder en ik in de bus naar het stadion. Mijn vader duikt onder.

„Nadat we drie weken in Kladanj op mijn vader hebben gewacht, besluiten we naar Zagreb te gaan. Daar voel ik me erg alleen. De stad heeft genoeg van oorlog en alles wat dat met zich meebrengt. Dan komt Hasan Huremovic in beeld, een grote man met voortdurend een glimlach op zijn gezicht. Hij straalt zelfvertrouwen uit: het komt wel goed. Het is magisch denken, maar hij krijgt gelijk. Wij kunnen de oorlog ontvluchten omdat hij pasfoto’s, transitvisa en bussen regelt.

„Na het Dayton-akkoord [dat een einde maakt aan de Bosnische oorlog] keren we in de zomer van 1996 terug. Mijn moeder knapt ons ouderlijk huis op, we brengen er onze zomervakanties door. Die eerste zomers lig ik doodsbenauwd in bed. Vooral ’s nachts houden alle geluiden me wakker.

„Elke zomer rijden er teams rond, die nabestaanden oproepen bloed te geven om zo de naamloze slachtoffers uit de massagraven te identificeren. Mijn broer en ik doen dat in 2003. In 2006 krijgen we bericht dat er een match is gevonden. Mijn tante gaat in het mortuarium in Tuzla het stoffelijk overschot bekijken. Eerder identificeerde ze er haar twee zonen, man, jongste zus en nu dus ook haar oudste broer, mijn vader. ‘Het is ’m,’ meldt ze, ‘ik herken zijn kleding en gouden tand’.

„Op het moment dat de kist in ons huis in Bratunac arriveert, besluiten mijn broer en ik die open te maken. We willen het zien, we willen hém zien. Zijn kleding zit in een plastic zak met rits, zijn botten in een net. Bot voor bot leggen we zijn skelet uit op de vloer in de huiskamer. Ik vind hem mooi. Als hij er ligt, voel ik verlichting en warmte. Onze familie staat om hem heen. Het is een prachtig moment.’

„We zien dat de kogelgaten in zijn trui overeen komen met de beschadigingen op zijn borstkas. Gelukkig, denken we, dan is hij tenminste niet gemarteld.

„Het zien en het weten heeft erg geholpen. De veroordeling van [oud-generaal] Mladic [tot levenslang] ook, in de zin dat het een erkenning is dat genocide heeft plaatsgevonden. Maar of het recht heeft gezegevierd? Nee.”

De uitzending van Andere Tijden van zaterdag 8 december gaat ook over Hasan Huremovic.

Foto Merlijn Doomernik

Nermin Hamzic: ‘We hebben het nooit over de oorlog. Wat voor zin heeft dat?’

Op 26 juli 1992 vertrekken vanuit Zagreb de laatste bussen die de Rotterdams-Bosnische lasser Hasan Huremovic naar Nederland wist te krijgen. Het konvooi strandt aan de grens met Slovenië, omdat de juiste papieren ontbreken. Aan de ene kant van de grens weigeren de Slovenen de vluchtelingen door te laten zonder waarborg dat Nederland hen opvangt, aan de andere kant dreigen de Kroaten Huremovic op te hangen als hij met hen terugkeert. Onder de volwassenen breekt paniek uit. Nermin Hamzic (35) is één van de gestrande Bosniërs. Vier dagen lang bevindt hij zich met zijn hoogzwangere moeder en oudere broer in een niemandsland. Hij is dan 10 jaar.

‘Heet is het. We kunnen de grensovergang zien: een afdak met schaduw. We zouden er lopend naartoe kunnen, maar dat mag niet. Ik vind het saai, er is niks te doen. Een paar kilometer verderop staat een hotel. We lopen ernaartoe, langs het maïsveld waar de meesten hun behoefte doen. Het stinkt. In het motel huren we voor één nacht een kamer, zodat mijn moeder, dan acht maanden zwanger, kan uitrusten en douchen. Terwijl we daar zijn, ben ik voortdurend bang dat de bus zonder ons vertrekt.

„We hebben er dan al zo’n drie, vier maanden van rondzwerven opzitten, maar heel precies weet ik dat niet. Wel weet ik dat we op 21 april uit ons huis gevlucht zijn. Een paar dagen daarvoor had de schooldirecteur ons allemaal naar huis gestuurd, omdat het te onveilig werd. Ik zie mezelf nog in de drukte de school uitlopen. Wie van mijn vriendjes zie ik terug, schiet door mijn hoofd. Er hangt spanning in de lucht, het is een unheimisch gevoel.

„We woonden in Derventa tegenover de kazerne van het Joegoslavische Volksleger. Dat ligt vlakbij Slavonski Brod, waar bij het uitbreken van de oorlog heftig om gevochten wordt. ’s Nachts liggen we met zijn allen in bed, en ik zie door het mortiervuur mijn familie secondenlang afgetekend in het felle licht, telkens weer. We verdrijven de tijd met kaarten: duizenden, of hand, zoals wij dat noemen. Mijn broer en ik verzamelen overdag tassen vol legerspullen. Kogelhulzen, riemen, tassen, alles wat de strijdende partijen achterlaten.

„Na veel omzwervingen komen mijn moeder, broer en ik in Zagreb terecht. Mijn vader kan niet mee, die mag Bosnië niet uit. In een appartement van hooguit vijftig vierkante meter zitten we met vier families opgepropt, vier volwassenen en twee kinderen. Contact met anderen hebben we niet. Buiten spelen geen andere kinderen, het is onnatuurlijk stil op straat.

„Hoe we uiteindelijk bij de Sloveense grens weggereden zijn, kan ik me niet herinneren. Onze aankomst in Nederland wel. Het vakantiepark in Zeewolde had een zwembad. Ja, super! Een paar dagen later vertrokken we naar de Willem I-kazerne in Den Bosch. Ook daar was het voor ons kinderen fantastisch. Grote sportvelden waar we op mogen voetballen, een bosje waar we kunnen spelen, ondergrondse gangen.

„Mijn moeder is op 31 augustus bevallen van mijn zusje. Ze was het eerste kind dat in de opvang geboren is. Een paar maanden na haar geboorte kwam mijn vader ons achterna. Hoe hem dat gelukt is, weet ik niet. Ik vraag er niet naar, hij vertelt er niet over. Niet dat ik niet geïnteresseerd ben, maar ik heb er geen behoefte aan. We hebben het nooit over de oorlog. Wat voor zin heeft dat? We hadden een mooi leven, maar het Bosnië dat ik me herinner, is weg.”

Foto Merlijn Doomernik

Lidija Zelovic ‘Ik blijf hunkeren naar het Joegoslavië dat niet meer bestaat’

Lidija Zelovic (47) werkte in april 1992 als 21-jarige tv-verslaggever in Sarajevo. Haar vader is Servisch, haar moeder Kroatisch. Ze sturen hun dochter voor haar eigen veiligheid naar Belgrado en later naar Zagreb. Daar gaat ze tolken voor de Verenigde Naties en leert ze Jan Rietveld kennen, die voor Justitie naar Kroatië ging om de kwetsbaarste vluchtelingen – vrouwen, kinderen, bejaarden – te selecteren voor opvang in Nederland. Uiteindelijk komen zo ongeveer vijfduizend ex-Joegoslaven naar Nederland toe. Ook Zelovic belandt in Nederland.

‘De gifpil die [de Kroatische oorlogsmisdadiger] Praljac innam [na zijn definitieve veroordeling door het Joegoslavië-tribunaal vorige week] maakte me sick to my stomach. Die misselijkheid had ik niet meer gevoeld sinds 1993, toen ik als tolk werkte voor de Verenigde Naties in Zagreb. Samen met vier collega’s tolkte ik voor duizenden moslimmannen, afkomstig uit drie concentratiekampen.

„Eén van die mannen zat tegenover me, keek me net niet in mijn ogen. Zijn 17-jarige zoon zat achter hem, zijn ogen waren net zo leeg. De oudere man begint te vertellen, hoe hij gedwongen werd de ballen van zijn broer af te bijten om het leven van zijn zoon te sparen. Ziek, echt ziek. Ik voelde alleen maar zijn angst en wanhoop. Ik vroeg hem: waar wil je heen? Zo ver mogelijk weg, antwoordde hij gelaten.

„Toen de oorlog uitbrak, werkte ik voor de tv in Sarajevo. Ik was 21 en ambitieus.De oorlog was een spannende carrièremogelijkheid. Mijn ouders stonden erop dat ik Sarajevo verliet. Voor hen ben ik vertrokken, in wat achteraf het laatste vliegtuig bleek dat de stad zou verlaten. Had ik geweten dat ik nooit meer terug zou keren, dan was ik nooit weggegaan.

„In Zagreb zat ik bij mijn moeders Kroatische familie. Het nationalisme was toen zó alomtegenwoordig, dat alles wat daar tegenin ging, niet geaccepteerd werd. Mijn stiefoma stuurde me weg: ‘Jij bent zo anti-Kroatisch, ik kan je niet meer zien.’ Mijn vaders Servische kant was net zo fanatiek. Gelukkig maar, anders had ik misschien een kant gekozen. De ruzies die we gehad hebben, o man. Nu zijn we op het punt dat we elkaars mening respecteren. Eens worden we het niet.

„Ik had nooit gedacht dat ik een vluchteling zou worden. Uit Zagreb vertrok ik voor de liefde: ik was verliefd geworden op één van de Nederlandse ambtenaren die regelmatig in Joegoslavië was om vluchtelingen uit te nodigen. Eenmaal in Nederland bleek onze relatie geen stand te houden. Na veel omzwervingen belandde ik in een park in Den Haag, waar ik een paar dagen heb doorgebracht. Jan Rietveld, die ik uit Zagreb kende, is me komen halen. Ze gaven me een kamer in hun huis en betaalden een cursus Nederlands. Pas toen ik zelf moeder werd, begreep ik ten volle hoe groots dat was: ze investeerden in een menselijk leven, emotioneel en financieel. Ik heb echt geluk gehad.

„In Nederland voelde ik me jarenlang verdwaasd. Alsof je achter de grafkist van een geliefde loopt en andere mensen boodschappen ziet doen. Nederland is mijn stiefmoeder. Ze is heel mooi, heel lief en doet echt haar best. En ik doe ook mijn best, maar mijn hart verliezen, gebeurt niet. Dat geeft afstand, die ik als documentairemaker kan gebruiken.

„Mensen beseffen niet hoe moeilijk het is om alles achter te laten. Ik vraag me vaak af wat voor mens ik geworden was als ik gebleven was. Ik denk dat ik door de oorlog een beter mens ben geworden. Maar ik blijf wel hunkeren naar het Joegoslavië dat niet meer bestaat.”