Recensie

Naoorlogs antisemitisme verklaard

Jodendom Antisemitisme is in naoorlogs Nederland vaak vermomd als kritiek op Israël. Activistische migranten, het Palestina Komitee en voetbalhooligans lieten zich ook niet onbetuigd.

Een deelnemer aan een protestbetoging in Jeruzalem na de aanslag op het tijdschrift Charlie Hebdo. Foto AFP/GALI TIBBON

‘Een antisemiet is iemand die meer hekel heeft aan Joden dan nodig is’, verklaarde de Israëlische president Shimon Peres tijdens zijn bezoek aan Nederland in 2013. Het is misschien wel de mooiste definitie van antisemitisme. Juist door de ironie is het een vrij accurate beschrijving van een onderwerp dat in het publieke debat vrijwel altijd zorgt voor hevige emoties.

Weinig beschuldigingen zijn sinds de Tweede Wereldoorlog immers zo zwaarbeladen als iemand betichten van antisemitisme, constateert Evelien Gans in The Holocaust, Israel and ‘the Jew’, een Engelstalig overzichtswerk van naoorlogs antisemitisme in Nederland. Tenzij het politiek georganiseerd antisemitisme betreft – met de officiële oproep Joden te vervolgen – wordt de conclusie dat sprake is van een antisemitische uitspraak al snel bestempeld als een schandalige, onterechte beschuldiging.

De deels chronologische, deels thematische behandeling in dit boek komt de overzichtelijkheid niet altijd ten goede. Zo bevat het twee hoofdstukken over de Nederlands-Turkse gemeenschap, zonder inhoudelijke afbakening. Wel biedt het een rijk palet aan onderwerpen, zoals voetbal gerelateerd antisemitisme, Jodenhaat in neonazistische kring, de rol van Theo van Gogh, discussies over herdenken en antisemitisme in links-activistische kring. Ook de uiteenlopende wijze waarop Joden zelf op antisemitisme reageren krijgt aandacht.

Gans concludeert dat twee elementen in de naoorlogse geschiedenis een sleutelrol vervullen: de vanuit de Nederlandse samenleving verwrongen omgang met de herinnering aan de Holocaust en de verhouding tot Israël waarbij antisemitisme zich vermomt als Israëlkritiek. Tegelijkertijd beschrijft zij de lastig te bepalen grens tussen antisemitisme en legitieme kritiek op Israël.

Activistische migranten

Het fascinerendst zijn de hoofdstukken over de komst van activistische migranten uit Marokko die hun antizionistische denkbeelden meenamen. Voor hen was Israël een ‘koloniaal feit’ en op geen enkele wijze de uitkomst van een emancipatiestrijd van Joden. Deze uitleg van Israëls bestaan sloot perfect aan bij de anti-imperialistische atmosfeer die in de jaren zestig wereldwijd en vogue was in progressief-activistische kring. Het leidde tot een symbiotische ontmoeting.

De oude strijd tegen repressie en machtsongelijkheid op nationaal niveau werd nu geprojecteerd op de relaties tussen West-Europa en de Derde Wereld. Het zionisme zou bijdragen aan de wereldwijde repressie van volkeren. Het in 1974 opgerichte KMAN, Komitee Marokkaanse Arbeiders Nederland, was jarenlang de belangrijkste Marokkaanse organisatie in Nederland – met de latere GroenLinks-politicus Mohammed Rabbae als bekendste voorman. Samen met het Nederlands Palestina Komitee vormde het KMAN het hart van het pro-Palestijnse protest, onder meer middels gezamenlijke manifestaties, beschrijft cultuurhistoricus Remco Ensel, mede-samensteller van het boek.

Tijdens pro-Palestijnse manifestaties in de jaren tachtig traden bandjes op als het Nij-meegse Volluk met nummers over ‘het ware gezicht van het zionisme’ waarbij Israëli’s aan nazi’s werden gelijkgesteld. In een liedje over de slachtpartij in Sabra en Shatila in 1982 bezong Volluk de nazi-concentratiekampen: ‘In Auschwitz en in Maribor, Dachau en Treblinka/ Stierven dezelfde mensen als in Sabra en Chatilla/ Maar laat het geschreeuw van zes miljoen Joden het geschreeuw niet overstemmen van [die] 1500 Palestijnse doden.’ Vanuit Marokko werd regelmatig de folkband Nass el Ghiwane overgevlogen met hun evergreen over Sabra en Shatila: ‘Oh wereld, er is een moordenaar onder jullie/ Oh wereld, onder jullie is zegevierende minachting’, zongen zij, verwijzend naar de eeuwige Joodse samenzwering.

Sinds de Tweede Intifada in 2000 doen – vooral via social media – verhalen de ronde over het zionisme als fascistische ideologie die als doel heeft de wereld te beheersen. Als tweede generatie migranten zich verzetten tegen de machtsstructuren van de Nederlandse samenleving, beschouwen zij ‘de Jood’ als symbool van de macht die zij bestrijden, beschrijft Ensel.

Dit boek maakt inzichtelijk hoe het huidige protest van deze jongeren gerelateerd is aan de KMAN van de jaren zeventig en tachtig. Precies daarom is de nauwgezette beschrijving van de symbiose tussen activistisch links en migranten vanaf de jaren zestig zo betekenisvol: het helpt antisemitische uitingen vandaag in onder meer migrantengemeenschappen beter te plaatsen.

Aan de rol van de islam als religieuze bron van Jodenhaat besteedt Gans, in tegenstelling tot andere auteurs in het boek, nauwelijks aandacht. Dat lijkt geen ongelukje. Zij geeft bijvoorbeeld expliciet aan niet de motieven te willen onderzoeken van aanslagplegers op Joodse doelen. Dat is een opvallende omissie. Je hoeft geen islamexpert te zijn om ook religieuze aspecten te betrekken in een onderzoek.

Wel wijst zij terecht op het gevaar dat door de focus in de media op Jodenhaat uit islamitische hoek, autochtoon antisemitisme wordt onderschat. Het boek schetst antisemitische tendensen in de Nederlandse samenleving als geheel, maar biedt ook ruim aandacht aan neonazi-achtige groeperingen. Nu populistisch-nationalistische politici de wind in de zeilen hebben, voelen neonazi’s en aanverwanten zich gesterkt in hun positie, constateert Gans in de epiloog.

Partijen zoals het Front National maar ook de PVV profileren zich intussen graag als pro-Israël. Daarbij wijst Gans op het voorwaardelijke karakter van die liefde. Wilders kan het vooral goed vinden met Joden die zijn rechtse ideeën delen. Over progressieve Joden toont hij graag zijn ‘walging’. Toen Marokkaanse voetbalhooligans zich misdroegen eiste hij niet alleen een lange gevangenisstraf, maar vond dat zij eerst voetbalstadions schoon zouden moeten maken met eigen tandenborstels. Het is een associatie met de iconische foto van Oostenrijkse Joden die in 1938 een straat in Wenen schoonmaken, onder toeziend oog van nazi’s. Wilders maakt vooral ‘instrumenteel’ gebruik van Joden en het stereotype van ‘de Jood’ in zijn strijd tegen de islam.

Zo maakt dit overzichtswerk telkens opnieuw duidelijk hoe Joden voor een breed scala aan doelen worden ingezet, door iedereen: van voetbalhooligans en grachtengordelbewoners tot hoogopgeleide Marokkaanse Nederlanders.