Waarom we bang zijn voor de yeti

Dat we in de bergen yeti’s en andere monsters vermoeden, is heel menselijk: monsters zijn de personificatie van onze angsten.

Illustratie Olf de Bruin

Het begint te schemeren op de berghelling, in het dal wordt het nu snel donker. De opgestoken wind jaagt de sneeuw in je ogen en het is verder weg dan je dacht. Er is niemand meer op de helling en ineens dringt een diep besef door: hier horen helemaal geen mensen. Deze wereld van ijle toppen, sneeuwstormen en botverpulverende kou is niet gemaakt voor warmbloedige tweevoeters – zonder hulpmiddelen als liften, ski’s en berghutten, of dan toch in ieder geval een sneeuwschep en een reddingsdeken, overleven ze geen nacht in het hooggebergte.

Op zo’n meedogenloos moment kan zelfs de nuchter aangelegde bergganger zich voorstellen dat hier andere wezens thuishoren; reuzen, trollen, yeti’s en geesten. Op zijn minst is het goed te begrijpen dat mensen van oudsher hebben geloofd dat de bergen – net als diepe wouden en oceanen – verblijfplaatsen zijn van monsters en goden. Op oude wereldkaarten werden draken getekend waar het onbekende begon: „here be dragons”. Vuurgeesten, stormgoden, waterdemonen.

Het hooggebergte is ook waar hemel en aarde elkaar raken, een zone van transcendentie; als mensen op zoek gaan naar het goddelijke lopen ze omhoog, als goden iets van de mensen moeten, komen ze omlaag. Mozes ontving de tien geboden op een berg, Zeus wordt nog altijd opgezocht op de Olympus.

Het vermoeden van monsters en goden in de bergen past bij de diepgewortelde – en evolutionair voordelige – neiging van de mens de wereld te willen begrijpen en ordenen. Dat doen we onder meer door aan van alles een persoonlijkheid toe te kennen, en bedoelingen, ook wel antropomorfisme genoemd. Monsters zijn de personificatie van onze angsten.

Van alle bergmonsters is de reus een van de meest universele. Hij is onderdeel van de ongevormde natuur, oeroude wildheid, en vertegenwoordigt de chaoskrachten, tegenover de goddelijke of menselijke ordeningskrachten. In het Noorse scheppingsverhaal is de aarde zelf gemaakt door reuzen – en van reus.

Dommekrachten

In dit verhaal bestond het universum uit twee delen, gescheiden door een enorme kloof niets. Een licht deel vol hitte bewoond door vuurreuzen, Muspelheim genaamd. En een ijsdeel waar de ijsreus Ymir woonde, naast de oerreus Búri. Toen de nakomelingen van Búri Ymir doodden – hij was zo groot geworden dat ze geen licht meer kregen – maakten ze uit zijn lichaam de wereld zoals wij die kennen. Zijn bloed werd meren en zeeën, zijn vlees de aarde, en zijn botten de bergen.

Reuzen zijn in verhalen vaak chaotische, driftige dommekrachten. Ook nu nog. In J. K. Rowlings’ Harry Potter en de orde van de feniks bijvoorbeeld probeert halfreus Hagrid in opdracht van het wijze schoolhoofd Perkamentus de reuzen over te halen hun kant te kiezen in het gevecht tegen Voldemort – ook een versie van gepersonificeerd kwaad. Hagrid moest ver de bergen in voor hij de overgebleven 80 reuzen vond – ze zijn grotendeels uitgestorven. „Ze hebben voornamelijk mekaar uitgemoord”, zegt Hagrid. Ook zijn poging ontaardt in een veldslag tussen de overgebleven reuzen, en de jonge reus die hij meesmokkelt naar het bos bij Zweinstein mishandelt Hagrid en trekt voortdurend bomen uit de grond.

Op oude wereldkaarten werden draken getekend waar het onbekende begon

In Roald Dahls De GVR zijn de reuzen sluwe bruten die mensen eten, met namen als de Bottenkraker, de Vleeslapeter, de Bloedbottelaar, de Kinderkauwer en de Meisjesstamper. Alleen hun kleine broer, de Grote Vriendelijke Reus, is zachtaardig – en vegetarisch.

De beroemdste ‘echte’ reus nu is waarschijnlijk de Verschrikkelijke Sneeuwman, of Yeti. Deze reusachtige mensaap zou in het Himalaya-gebergte rondzwerven en door de jaren heen hebben allerlei mensen beweerd hem, of zijn voetstappen, te hebben gezien. Her en der zijn haren gevonden die van een Yeti afkomstig zouden zijn. Hij speelt ook een voorname rol in Kuifje in Tibet van Hergé. Een vergelijkbare bergreus zou in de VS rondlopen, Bigfoot.

Hoewel er steeds minder wildernis over is waar reusachtige schepsels ongemerkt zouden kunnen leven, is de nieuwsgierigheid naar de Yeti zo groot dat een beroemde Britse hoogleraar genetica in Oxford, Bryan Sykes, zich waagde aan onderzoek. Twee keer testte hij vondsten die aan de Yeti of Bigfoot waren toegeschreven. In 2013 stelde hij dat er mogelijk een onbekende hybride van een ijsbeer en een bruine beer bestond, in 2014 dacht hij DNA te hebben gevonden dat leek op dat van een uitgestorven ijsbeersoort. Andere wetenschappers toonden aan dat het DNA dat hij had gebruikt beschadigd was, wat hij ook erkende. En juist vorige week werd het resultaat van nieuw onderzoek naar ‘yeti-vondsten’ bekend: allemaal van nog levende bruinebeersoorten, en één van een hond.

Trollen

Sommige bergen hebben hun eigen reus. Op de één na hoogste berg van Schotland, Ben McDui, bijvoorbeeld, leeft een oude grijze reus, Gaelisch Am Fear Liath Mor in Schots-Gaelisch. Hij wordt omschreven als een tien meter lange gedaante, met lang, grijs haar. Op zich eet hij geen kinderen of mensen en lijkt hij niet kwaadaardig. Bergbeklimmers worden wel voor hem gewaarschuwd, omdat de meesten het eng vinden als hij hen achtervolgt.

Als je de bergen intrekt, moet je ook beducht zijn voor trollen, volgens vooral Noord-Europese overlevering. Trollen zijn in de verhalen nog een tikje dommer dan reuzen, en vooral ook verschrikkelijk lelijk. Aan sprookjes- en sagenboeken kan je zien dat tekenaars zich echt hebben uitgeleefd op de wrattige, vormloze klompen, die op allerlei plekken druipen. Trollen zouden mooie meisjes roven, die voor hen moeten spinnen en koken.

Illustratie Olf de Bruin

In de IJslandse folklore worden al eeuwen verhalen verteld over Grýla, een aanstaanjagende vrouwelijke oger (monster) die in de bergen leeft. Ze had dertien zonen, en deze ogers lokten kinderen – ze aten kinderen. De verhalen waren zo succesvol dat in 1746 een decreet werd uitgevaardigd dat bepaalde dat Grýla en haar zonen niet meer gebruikt mochten worden om kinderen bang te maken. Geen ‘En nu naar bed anders komt Grýla je halen’ meer dus.

Een heel ander soort bergwezen vind je in het Duitse taalgebied. Tientallen bergen staan bekend als vrouwenbergen. Daar zouden in de voorchristelijke tijd witte vrouwen hebben gewoond – wit had oorspronkelijk de betekenis van rede, zoals nog te zien is in het Engelse woord wit. Deze draagsters van oude kennis bepaalden het weer, regelden de natuur en moesten te vriend worden gehouden voor een goede oogst.

Volgens de volksverhalen waren ze er nog steeds rond, zoals op de Annaberg in Silezië en de Odiliënberg in de Elzas. De vrouwen zijn niet altijd goed; het witte wief van de Hörselberg in Thüringen lokt de buurtbewoners op het slechte pad. Op de Ofenberg tussen het Münsterdal en de Engadin dwaalt volgens de overlevering een witte vrouwengedaante zonder neus rond. Op de Gamskogel in de Steiermark zou een oude vrouw de ingang naar een kloof vol schatten bewaken.

De folklore over bergmonsters is niet verdwenen. Misschien gebruiken niet veel ouders de trol als pedagogisch instrument, maar verhalen over monsters blijven populair. De Amerikaanse tv-serie Mountain monsters wijdt al seizoenenlang aflevering na aflevering aan de jacht op mythische bergwezens. Hoewel ze nooit een echte bigfoot of gevleugelde hellehond vangen, blijft het kennelijk fascinerende televisie. Net zoals veel gebieden hun lokale monster gebruiken om bezoekers te lokken – waarschijnlijk gelooft niemand écht dat Nessie bestaat, maar er varen dagelijks toeristen over het Loch in de hoop een glimp van het zeemonster op te vangen.

Zolang de monsters diep onder water of hoog in de bergen zitten, heb je er weinig last van. En als je toch de bergen in gaat, kan een beetje extra oplettendheid ook geen kwaad.

    • Elsje Jorritsma