Recensie

Nieuw werk Ed Wubbe hooguit in massaliteit effectief

Dans De nieuwe choreografie van Ed Wubbe is duisterder dan voorganger ‘Pearl’. Hoogtepunt is de muziek.

Scala toont een liefdeloos universum van egocentrische individuen. Foto Hans Gerritsen

„Giacomo?!” De naam keert telkens terug, vragend, smekend: Giacomo, waar ben je toch? Maar Giacomo is waarschijnlijk op weg naar zijn volgende verovering. Daarmee legt Ed Wubbe in Scala, zijn nieuwe avondvullende ‘barokballet’ een onmiskenbare link met vrouwenverslinder Casanova en zijn tijd (en Fellini’s gelijknamige film).

Scala is de opvolger van Pearl, de choreografie waarmee Wubbe vijf jaar geleden een ware hit scoorde. Voor deze nieuwe historische fantasie zocht Wubbe opnieuw samenwerking met het barokensemble Combattimento én zijn vaste kostuumontwerpster Pamela Homoet. In Pearl voerde een zekere luchthartigheid de boventoon en waren er herkenbare referenties aan de elegante gebaren van de barokdans. Scala daarentegen is duister, zowel in kleur als in stemming: de kostuums (voor de vrouwen weer jurken met enorme heupstukken) zijn overwegend zwart en de belichting is schemerig.

Die onherbergzame, kale donkerte heeft zijn uitwerking op de verhoudingen. Scala toont een liefdeloos universum van egocentrische individuen, die elkaar opstoken en manipuleren, uitsluiten, uitlachen. Schetsmatig zijn wat personages te herkennen – de koningin, het onschuldige meisje, de outcast – maar het blijven platte figuren. Met live video probeert Wubbe dicht op de huid van de dansers te komen, maar daarvoor blijven de close-ups te veraf en is de projectie te klein, zodat het vooral een niet-zo-hip gimmickje blijft.

Ook de choreografie heeft een hoog net-niet-gehalte, als gevolg van een bewegingstaal die weinig expressief is, maar dat wel probeert te zijn met gebaartjes, hoekige en gefragmenteerde bewegingen, opengesperde monden. De ensembledansen, vol grote halen, zijn hooguit door hun massaliteit effectief.

Gelukkig is daar de muziek, van onder anderen Albicastro, Muffat en Vivaldi, met als hoogtepunten een wonderschone hobo-solo van Bram Kreeftmeijer en de aria’s van countertenor Kaspar Kröner en sopraan Cristina Grifone. Hun optredens vormen de redding van Scala.