Column

Karels boeken, duiven en truien

Michel Krielaars

Een paar dagen voor pakjesavond kwam ik hem voor het eerst in jaren weer tegen. Karel heette hij. Ik kende hem uit de boekhandel in mijn buurt, waar hij een van de beste klanten was. Zijn voorkeur ging bijna altijd uit naar geschiedenis en wetenschap. In de twintig jaar dat ik in die boekhandel kwam, had hij zeker tienduizend boeken op die terreinen gekocht.

Een keer ben ik bij hem thuis geweest, in een halve woning in de Amsterdamse wijk de Pijp. Hij had me uitgenodigd om naar zijn schatten te komen kijken. In een alkoof lag zijn geestelijk gehandicapte vrouw in bed, één been buiten boord en onafgebroken kreunend van onrust. ‘Ze heeft honger’, zei hij. ‘Zo dadelijk krijgt ze wat vanillevla met frambozen, gemengd met Olvarit. Dat vindt ze het lekkerste wat er is. En daarna is ze stil.’

In de kleine woonkamer kon je nauwelijks rondlopen. Overal stonden manshoge stapels boeken, waarvan ik sommige titels meteen herkende. Slechts door een paar nauwe gangetjes, die uit al dat bedrukte papier leken te zijn gehakt, kon je het venster bereiken. In de enige lege hoek van de kamer lag een grote zak duivenvoer. ‘Ik heb een paar honderd duiven, die van me afhankelijk zijn’, zei hij toen met een glunderende blik. ‘Ze zijn als kinderen voor me.’

De meeste boeken op die stapels waren nog in pakpapier of beschermend cellofaan gewikkeld. Het was Karel duidelijk om het verzamelen te doen. Een gedroomde klant voor zowel de boekhandel als het antiquariaat, dacht ik terwijl mijn verwondering geen grenzen kende, vooral toen hij vertelde dat zijn huisbaas hem zijn woning wilde uitzetten omdat de vloeren het onder de toenemende boekenlast dreigden te begeven. Maar dat was jaren geleden. En hoe dat drama was afgelopen, had niemand me ooit verteld.

Dit keer ontmoette ik Karel niet in de boekhandel, maar in een zaak voor herenaccessoires. Als ik iemand daar niet had verwacht dan was hij het wel, in zijn versleten overjas en gerafelde broek, die de oorlog ternauwernood leken te hebben overleefd.

‘Ik ben al een tijdje op zoek naar zo’n trui en nu heb ik hem gevonden’, zei hij triomfantelijk, waarop hij zijn overjas opensloeg en zich aan me vertoonde als een fotomodel op leeftijd. Meteen zag ik de Ierse visserstrui van witte wol, die ruim om zijn magere bovenlijf hing. Zijn kalende hoofd leek weg te zinken in de dikke opstaande kraag.

‘Ik heb er maar meteen vier genomen’, zei Karel. ‘Ze zitten zo lekker, begrijpt u. En dan vooral als ik om drie uur ’s nachts de duiven op de Dam ga voeren. Want op mijn scooter heb ik het altijd koud. En nu mijn vrouw dood is, heb ik alle tijd voor ze.’

Ik herinnerde me ineens waarom hij er ’s nachts altijd op uittrok. Want dan was het rustig in de binnenstad en werd hij niet gepest door hangjongeren. Ook zijn vrouw sliep dan.

Toen ik Karel vroeg of hij zich nog wel eens in de boekhandel vertoonde, liet hij het antwoord in het midden. Maar ik kon het eigenlijk wel raden. En ineens bekroop me het vermoeden dat in de halve woning van Karel de boekenstapels waren geslonken om plaats te maken voor veel lichtere roerende goederen: Ierse visserstruien.