Recensie

Jaaps onverdiende prijs toont de druk op kinderschouders

Imme Dros en Harrie Geelen maakten een prentenboek over een jongen die een prijs krijgt, maar geen idee heeft waarvóór. Opvallend is de subtiele kritiek op onze prestatiemaatschappij.

Of het nu een boek voor kleuters, jongeren of volwassenen is, uit alles wat Imme Dros (1936) schrijft spreekt haar grote liefde voor de taal. Het nieuwe prentenboek Jaap won een prijs, dat ze vanzelfsprekend maakte met haar andere grote liefde, echtgenoot en illustrator Harrie Geelen, toont dat eens te meer weer aan.

Lees de openingszinnen over het kleuterjongetje Jaap dat geen idee heeft waarvoor hij een prijs heeft gewonnen maar eens hardop. Hun sterke ritme geeft de bondige tekst ontegenzeggelijk een grote vertelkracht. Ze onthullen direct dat Jaap de prijs niet alleen onverdiend vindt omdat hij ‘niets gedaan en niets gemaakt’ heeft, maar omdat het hem aan zelfwaardering ontbreekt. Voor een prijs, meent de kleuter, moet je ‘kunnen hardlopen als Luuk, of kunnen tekenen als Tess’. Maar je moet ‘vooral niet zijn als Jaap de Jong,/ die nooit iets won en nergens goed in was.’

Levensechte kleuter

Dros portretteert Jaap knap als een levensechte kleuter. Ze maakt treffend invoelbaar hoe het kind nadat zijn moeder hem de brief heeft voorgelezen over de vermeende prijs, een schuldgevoel ontwikkelt. Hij vermoedt dat de brief eigenlijk voor een andere J. de Jong is. Terwijl de volwassenen zijn prijs uitgebreid vieren, voelt Jaap zich een dief. ’s Nachts droomt hij hoe de echte winnaar de prijs woedend komt opeisen. De volgende dag is hij letterlijk ziek van angst en durft niet naar buiten.

Qua thematiek lijkt Jaap won een prijs wel wat op Bijna jarig (2005), waarin kleuter Ella ook geloofwaardig met een schuldgevoel worstelt. Boekformaat en Geelens illustraties en kleurgebruik liggen echter dichter bij Tijs en de eenhoorn (2015). Geelen verbeeldt ook nu, als de tekst dat toelaat, niet alleen de feitelijke gebeurtenissen, maar de werkelijkheid zoals Jaap die zich inbeeldt. Dat doet hij goed: vol expressie, met een doeltreffend kleurenpalet. Zo zien we Jaap eenzaam in een kale, grijsbruine gevangenis. Op een mysterieuze Escher-achtige prent toont Geelen het kind als een schim op de vlucht voor zijn eigen angstcreatie. En in de straat vlakbij school blijken de fietsenmaker, slager en taxichauffeur, plots allemaal naamgenoten.

Prestatiemaatschappij

Opvallend is de subtiele kritiek op onze prestatiemaatschappij en de volwassenen die zich nauwelijks bewust lijken van de druk die ze op kinderschouders leggen. Zoals Jaaps moeder. Dat ze door een misleidende reclamefolder gelooft dat haar zoontje een prijs heeft gewonnen is natuurlijk vrij ongeloofwaardig. Maar de manier waarop ze dat trots rondbazuint en ze Jaap beschadigt is dat geenszins. Ook het Elfstedenkruisje dat Jaaps opa noemt als zijn kleinzoon vraagt of hij ooit een ‘hoofdprijs’ heeft gewonnen, helpt Jaap niet zelfvertrouwen te ontwikkelen. Wat daar wel voor nodig is? De fraai met elkaar corresponderende kleurrijke slottekeningen van Geelen (en Jaap) laten weinig te raden over: ‘gewoon geluk’ en vooral ‘geen prijs’.