Recensie

Het korte verhaal is niet Eugenides’ grote kracht

Dus dit is wat Jeffrey Eugenides heeft gedaan tussen het werken aan zijn succesvolle romans De zelfmoord van de meisjes, Middlesex en Huwelijk: verhalen schrijven. Terwijl veel van zijn generatiegenoten het genre negeerden in hun zoektocht naar de Grote Amerikaanse Roman is hij dat blijven doen. Hoewel de nu vertaalde verhalen geschreven zijn over die periode van 28 jaar is er weinig ontwikkeling in stijl of thematiek aan te wijzen. Dat wil niet zeggen dat ze allemaal herkenbaar uit dezelfde hand zijn. Wat ze wel gemeen hebben is een resolute, onopgesmukte verteltoon en een voorkeur voor de beschrijving van menselijk falen.

De vader in ‘Timeshare’, die zichzelf blijmoedig in de financiële nesten blijft werken, heeft in een andere tijd en op een andere plaats veel gemeen met de pianist in ‘Oude Muziek’, die al even welgemoed zijn gezin meesleurt in een financiële ramp. Dat geldt in nog sterkere mate voor de weinig succesvolle dichter in ‘Groot Experiment’, die zich laat overhalen zijn grillige werkgever een poot uit te draaien, met desastreuze gevolgen. Er lijkt bijna een contemporaine Amerikaanse moraal te condenseren uit deze verhalen: als je geen verstand hebt van écht geld verdienen, bemoei je er dan ook niet mee.

Elders is de toon ironisch, om de ernst van de onderwerpen iets te verhullen. Dat geldt vooral voor ‘Luchtpost’ waarin een teveel aan informatie het in tropisch Azië gesitueerde verhaal wat doodslaat. Twee andere verhalen die opvallen zijn ‘Spuit’, het bijna ouderwets slapstick-achtige relaas van een kunstmatige inseminatie die niet geheel volgens plan verloopt, en ‘Het Vulva-orakel’ (uit 1999), dat als een voorstudie voor zijn met de Pulitzer Prize bekroonde roman Middlesex (2002) beschouwd kan worden.

In de meeste verhalen hanteert Eugenides (Detroit, 1960) de neutrale vertellerstoon, maar de opvallendste uitzondering (en tevens het beste verhaal uit de bundel) is ‘Zoek de schuldige’, waarin de verteller uitermate geslaagd, mede door zijn joviale low-brow spreektaal, wordt getypeerd.

Misschien had Eugenides vaker vertellers met andere stemmen moeten kiezen. Want nee, niet alle verhalen in Uit eerste hand kunnen als geslaagd beschouwd worden. ‘Grillige Tuinen’ is het minste, en kan hooguit gelezen worden als een mislukte aanzet tot een roman. Het leest alsof de auteur zelf halverwege de handdoek in de ring heeft gegooid. Dat geldt in nog sterkere mate voor het titelverhaal, tevens het recentste; opgezet als een script met twee verhaallijnen die veel te snel verraden waar ze samenkomen. Ook hier lijkt de auteur in de wat afgeraffelde laatste pagina’s te beseffen dat er niet veel meer inzit, dan tja, een kort verhaal. Het genre heeft zijn liefde duidelijk niet, maar als de vakman die hij onmiskenbaar is, heeft Eugenides een gevarieerde en uiteindelijk onderhoudende bundel afgeleverd.