Recensie

Een klik met het dierenbrein    

Mens en Dier

In een reeks weergaloze essays onderzoekt Elena Passarello de geschiedenis van de verhouding tussen mens en dier. Van de wolharige mammoet uit het permafrost tot en met Darwins schildpad.

Albrecht Dürer: Rhinocerus, houtsnede (1515)

Haar officiële nummer was #43678 maar als ‘Cher Ami’ zou ze beroemd worden. Ze was de allerlaatste postduif van een bataljon Amerikaanse soldaten, afgesneden in niemandsland waar het al dagen granaten regende van hun eigen artillerie. ‘For Heavens Sake Stop It’, stond er in het bericht dat ze in een kokertje aan haar poot droeg, toen ze op 3 oktober 1918 uit een rieten mand omhoog werd gegooid en haar vleugels uitsloeg.

Een postduif wil gewoon naar huis. Maar wat een vertigo moet ze de mannen die daar beneden in de val zaten bezorgd hebben, schrijft Elena Passarello. ‘Deze gedrongen duif, een vuist met veren, alles wegdrukkend wat verloren is en ruimte makend voor alles wat ‘‘naar huis” betekent. Een duif die opstijgt uit een loopgraaf is een grijze vlag van hoop.’

Het verhaal van Cher Ami is vaak verteld, maar bij Passarello is het als nieuw. Het is een van de zeventien verhalen uit Animals Strike Curious Poses, die elk aan een afzonderlijk dier zijn gewijd, als in een middeleeuws bestiarium. Van de wolharige mammoet, die in Siberië uit het permafrost werd gegraven, en de Umbrische wolf die door de heilige Franciscus bekeerd werd, tot Hans, het Berlijnse paard dat kon hoofdrekenen, en Arabella, de kruisspin die in Skylab-3 haar zwaartekrachtloze fantasiewebben weefde.

Passarello zet ze neer, eerst als dier van vlees en bloed. En dan vraagt ze zich af wat die dieren met ons doen, wat we zien als we intens naar ze kijken. Dan zet ze haar lens scherp op het punt waar natuur cultuur raakt.

Neem de beroemde ‘rhinocerus’ die Albrecht Dürer in 1515 tekende. Die vrouwtjesneushoorn – het was een Indische – heeft echt bestaan en was korte tijd te zien aan het hof in Lissabon. Dürer zag haar nooit; hij tekende het dier naar een schets en een beschrijving die hij van een landgenoot kreeg. Met huidplaten als een versierd kuras, met het hoofd van een reptiel, een paardenstaart en dat extra ingebeelde hoorntje tussen de schouderbladen.

De spreeuw van Mozart

In Dürers gravure komen twee lichamen samen, schrijft Passarello. Het eerste is van de echte neushoorn, die een reis van vier maanden naar Europa overleefde en verdronk toen het schip dat haar van Portugal naar de paus in Rome moest vervoeren in een storm verging. Het tweede is ‘het idee van een lichaam’, waarin alle neushoornverhalen samenkomen: van de Behemoth uit het bijbelboek Job, de olifantendoder waarover Plinius de Oudere schreef en Marco Polo’s ‘lelijke eenhoorn’. Het is ‘een schets van binnen naar buiten’, een ‘tweehoornig lichaam, vervormd door de feiten van menselijke angst en ontzag’. Die neushoorn, schrijft ze, is echter dan de echte.

Essays noemt Passarello haar verhalen, en dat zijn het: probeersels. Of beter: waagstukken. Zoals het stuk over de spreeuw die Mozart vanaf 1784 gezelschap hield in wat diens productiefste periode was. Het moet liefde op het eerste gezicht geweest zijn, toen Mozart in een dierenwinkel de eerste noten van zijn Pianoconcert in G hoorde terugfluiten, maar in een nieuwe zetting die beter klonk dan het origineel. Haastig noteerde hij de spreeuwenversie in zijn boekje bij het aankoopbedrag. ‘Vogel Staar. Das war schön!’, schreef hij erbij.

Een spreeuw is geen papegaai. Een spreeuw kan luisteren als geen ander en met een vast repertoire aan fluiten, kwelen, klikken en krijsen zowel perfect imiteren als freestyle improviseren. Geen wonder dat juist Mozart daarvoor viel, laat Passarello zien in een weergaloos betoog waarin musicologie en ornithologie over elkaar buitelen. Mozarts composities volgen de regels van ‘de gouden Weense algebra’ en drijven er tegelijkertijd de spot mee. Ze zetten de luisteraar op het verkeerde been met valse noten, valse eindes, grappen en scheten. In die Vogel Staar ontmoette hij een verwant; ‘spel herkent spel, Mozart klikt met een vogelbrein’, schrijft Passarello en van dat magische moment maakt ze je deelgenoot.

Verliefd op Darwin

Passarello is zelf ook een spreeuw: ze plukt haar feiten overal vandaan en zet ze in virtuoze improvisaties in een nieuw verband. Er is een stuk waarin ze tegelijkertijd het spoor van de eerste circus-olifanten in Amerika volgt als de ontwikkeling van het elektrisch licht. Waaróm in godsnaam, vraag je je eerst af – waarna die twee echt samenkomen en eindigen in een gruwelijke en waargebeurde apotheose: Edison laat zo’n olifant elektrocuteren om aan te tonen dat zíjn gelijkstroom beter is dan de wisselstroom van de concurrent.

In een ander, even weergaloos stuk voert ze de schildpad Harriet op, die in 1830 door Darwin van de Galapagos-eilanden werd meegenomen en pas in 2006 zou sterven. ‘We zijn niet geboren om het beeld te reproduceren dat God lang geleden verzon’, laat ze Harriet zeggen. ‘We zijn geboren om te bewegen. Om te improviseren op de code. Om God te verbazen.’

De schildpad is wanhopig verliefd op Darwin, haar redder, die dan zelf nog naar woorden zoekt voor wat evolutie zal gaan heten. Had hij Harriet maar kunnen horen!

Dat is de vraag die Passarello in dit boek stelt: kunnen mens en dier elkaar werkelijk verstaan? Nee, natuurlijk. En zo ja, dan was het een schrale troost: te weten dat we als individu gedoemd zijn, maar geprogrammeerd om te blijven doen alsof er altijd een ‘morgen’ is. Verschillen wij wel van dat allerlaatste mannetjeshoen op een Amerikaans eiland, die zijn laatste jaar doorbracht, roepend om gezelschap dat nooit meer zou komen?

En toch weet Passarello iets over te brengen van het magische gevoel dat terug moet gaan naar de tijd dat iemand zijn vinger in houtskool doopte en herten en wolharige mammoeten op een rots tekende, het gevoel dat dieren niet alleen prooi en voedsel waren, maar ook boodschappers die ons verbinden met het spirituele, ‘partners in survival’.

Zo bezien is Passarello’s bestiarium ook een vrolijke ark.