Recensie

Hoe de toekomstverwachtingen van jonge Russen door Poetin zijn verstoord

Rusland Masha Gessen schreef een boek over de levens van jonge Russen, wier toekomstverwachtingen door het repressieve regime van Poetin drastisch zijn verstoord.

Jonge Russen in T-shirts die aan de Communistische jeugdbeweging Komsomol doen denken. Foto Thomas Dworzak/Magnum Photos

Het lijkt nog het meest op een Russisch gruwelsprookje. Als middelbare scholier ontdekte Marina Aroetjoenjan (1956) dat haar grootvader, een revolutionair van het eerste uur, in de jaren twintig verraden was door zijn eigen vrouw. Ze had hem beschuldigd van trotskistische opvattingen, wat erop neer kwam dat hij oppositie tegen Stalin had gevoerd. Die grootvader werd gearresteerd en geëxecuteerd.

Zijn vrouw was tot haar daad gekomen, omdat ze heilig geloofde in het gelijk van de Partij. Voor die Partij en Stalin was ze bereid haar grote liefde te offeren. Toen ze halverwege de jaren dertig zelf als partijlid werd geroyeerd, probeerde ze een einde aan haar leven te maken. In haar afscheidsbrief schreef ze: ‘De Partij kan leven zonder mij, maar ik kan niet leven zonder de Partij.’ Die zelfmoord mislukte trouwens. Later zou ze een hoge partijfunctionaris en een bekende historica worden.

In de jaren negentig was Aroetjoenjan een van de weinige psychoanalytici in Rusland. In haar praktijk had ze meerdere patiënten die door de Stalinterreur waren getraumatiseerd. Het bracht haar ertoe haar land als geheel op de sofa te leggen om tot de diagnose te komen dat ze in een getraumatiseerde samenleving leefde, die gegijzeld werd door een gewelddadig, verzwegen verleden. Later, toen Vladimir Poetin aan de macht kwam, ging ze nog een stap verder en noemde ze Rusland depressief en zonder levenskracht. Het was suïcidaal, meende ze.

Aroetjoenjan is een van de zeven hoofdpersonen in The future is history. How totalitarianism reclaimed Russia, het nieuwe boek van Masha Gessen (1967), die er in de Verenigde Staten onlangs de National Book Award voor kreeg. Aan de hand van het levensverhaal van de psychoanalytica en dat van zes andere Russen probeert de Russisch-Amerikaanse journalist te achterhalen wat er met haar land is gebeurd sinds de Sovjet-Unie in 1991 uiteenviel. Haar conclusie is genadeloos: onder Poetin is Rusland weer een totalitaire staat aan het worden.

Vier van Gessens hoofdpersonen werden geboren halverwege de jaren tachtig en brachten de helft van hun leven onder Poetin door. Daarnaast worden er nog twee oudere Russen gevolgd: de extreem-rechtse, nationalistische filosoof Aleksandr Doegin, de vader van het Eurazianisme, en de socioloog Lev Goedkov van opinieonderzoeksbureau Levada. Zij zijn elkaars tegenpolen. Doegin is de aartsconservatief, die in een totalitaire staat met een markteconomie het redmiddel voor Rusland ziet als tegenhanger van het Westen met zijn humanistische waarden. In 2014 riep hij Poetin op om Oekraïne openlijk binnen te vallen en een begin te maken met Ruslands expansie. Goedkov is een westers georiënteerde democraat, die Poetins Rusland als een pseudo-totalitaire staat ontmaskert, waarin de sociale structuren van de Sovjet-Unie nieuw leven zijn ingeblazen.

Gessen verweeft de levens van haar hoofdpersonen met de geschiedenis en eindigt met de desillusies van de jongeren. Ze begint in 1984, het geboortejaar van de vrouwen Masja en Zjanna. De Sovjet-Unie leek toen nog het eeuwige leven te hebben. Over dat land velt ze een vernietigend oordeel. Dat is niet zo vreemd, omdat de mens die in deze dictatuur werd gekweekt, de homo sovieticus, de Sovjetmens, de rode draad in haar boek vormt.

Publieke opinie

Die homo sovieticus werd voor het eerst getypeerd door opinie-onderzoeker Joeri Levada, die eind jaren tachtig, tijdens de dooi onder Gorbatsjov, in opdracht van de partijleiding statistisch onderzoek deed naar de sociaal-economische behoeften van de Sovjetbevolking, zodat het regime de publieke opinie doeltreffender kon beïnvloeden.

Levada’s hypothese was dat in elke totalitaire staat een type mens wordt gevormd waarop het regime kan vertrouwen voor zijn stabiliteit en voortbestaan. Op zijn beurt leert die mens te overleven in zo’n dictatuur, waarbij Gessen Orwells doublethink aanhaalt – het volgens de eigen moraal gelijktijdig accepteren van twee elkaar uitsluitende gedachten als correct en legitiem. Niet voor niets zeiden ze in de Sovjet-Unie: ‘Wij doen alsof we werken, de staat doet alsof hij ons betaalt’.

Het belangrijkste element van die Sovjetmens is dat hem geen ruimte voor zichzelf wordt gegund. En dan haalt Gessen Hannah Arendts The origins of totalitarianism uit de kast: die mens maakt geforceerd deel uit van een grote groep, waarin voor het individu geen plaats is en de verschrikkingen van het verleden worden ontkend. Beroofd van zijn individualiteit en daardoor niet in staat tot een betekenisvolle interactie met anderen, wordt die mens eenzaam, waardoor hij de perfecte onderdaan wordt in een dictatuur.

Die eenzaamheid en dat isolement ontwaart Gessen overal in het huidige Rusland. De Sovjetmens is volgens haar dan ook springlevend en verklaart in hoge mate de steun voor Poetin. Vandaar dat ze vier jonge Russen opvoert, die niet aan die definitie voldoen.

De levens van Masja en Zjanna zijn typerend voor de protestbeweging, die sinds Poetins herverkiezing tot president in 2012 met harde hand wordt onderdrukt. Masja groeit op in een Moskous eenoudergezin. Haar moeder slaat tijdens het prille Russische kapitalisme van de jaren negentig met succes het ondernemerspad in, tot ze onverwacht aan kanker overlijdt. Masja werkt hierna in een ziekenhuis, waar ze de smeergelden van geneesmiddelenleveranciers in de boekhouding moet wegmoffelen, een praktijk die ook op alle andere terreinen van de Russische samenleving de gewoonte is. Op die manier maakt ze deel uit van het omvangrijke corruptie-systeem, waarop oppositieleider Navalny zijn pijlen richt.

Seksueel misbruik

Op een dag ontwaakt Masja uit haar lethargie als ze hoort over iemand die ten onrechte van seksueel misbruik van zijn dochtertje is beschuldigd en vijf jaar de gevangenis in moet. Ineens beseft ze hoe de staat iedere willekeurige burger kan vermalen zonder dat die ook maar iets heeft misdaan. Na de gefraudeerde parlementsverkiezingen van 2011 wordt ze politiek actief. Ze neemt deel aan massademonstraties, sluit zich aan bij de oppositiebeweging en trekt naar Oekraïne om er de Maidan-opstand van 2014 te verslaan.

Zjanna is de dochter van de in 2015 vermoorde oppositieleider Boris Nemtsov. Zij wordt gevolgd vanaf haar jeugd in de provinciestad Nizjni Novgorod. Haar vader is er sinds de val van het communisme gouverneur en moderniseert zijn stad in hoog tempo. Vermakelijk zijn de door Gessen beschreven scènes over de ijdele Nemtsov, die als gouverneur zijn gezin dwingt om samen met hem naar zichzelf op de televisie te kijken.

Nemtsov is zo succesvol dat president Jeltsin in hem zijn opvolger ziet en hem naar Moskou haalt. Treffend beschrijft Gessen hoe hij daar mislukt door zijn hoogmoed en gebrek aan politieke vaardigheden. Zo botst hij met de oligarchen, wier politieke macht en bezit hij wil afnemen. Zijn populariteit keldert, waarop Jeltsin hem laat vallen.

Als Poetin president wordt, verlaat Nemtsov de politiek. Zijn 16-jarige dochter gaat in New York studeren, omdat ze in Rusland geen toekomst meer denkt te hebben. Maar Zjanna mist haar land en keert na 9/11 terug. Ze trouwt met een bankier en gaat bij een financiële instelling werken. Zoals zoveel jonge Russen met invloedrijke ouders geniet ze van haar luxeleventje, totdat haar vader in 2009 besluit terug te keren in de politiek. Net als Masja ontwaakt ook Zjanna dan uit haar winterslaap, waarin Poetin zijn volk heeft kunnen wiegen dankzij de gestegen olieprijs. Haar hoop op een vrij Rusland verdampt na de moord op haar vader, waartoe onder meer Doegin heeft opgeroepen. Ze emigeert naar Duitsland.

En dan is er nog Ljosja uit een kleine stad in de Oeral, waar vroeger een Goelagkamp was. Hij is een jonge homoseksueel, die het in Perm tot docent homostudies aan de universiteit schopt. Als het parlement in 2013 een anti-homowet aanneemt, vraagt hij asiel aan in de Verenigde Staten.

Gessens minst opvallende personage is Serjozja, de kleinzoon van Aleksandr Jakovlev, de architect van Gorbatsjovs hervormingsprogramma. Ze gebruikt hem als eerbetoon aan zijn wijze grootvader, zonder wie de onthullingen over de Stalinterreur misschien wel nooit in gang waren gezet. Als Jakovlev kort voor zijn dood in 2005 in een toespraak kritiek levert op de nationalistische staat die door Poetin wordt opgebouwd, waarschuwt hij voor de Stalinverheerlijking: ‘Ik zie Stalins smoel overal, elke dag, en de mensen vreten het. Het is het gezicht van een nationalist, een chauvinist, een moordenaar. Maar ons wordt verteld dat als we goed kijken, hij helemaal zo slecht niet was.’

Als geen ander zag Jakovlev de homo sovieticus met zijn doublethink om zich heen, die zijn identiteit aan het stalinistische verleden ontleende en juichte als zijn land ten oorlog trok. Na zeventig jaar van repressie bleek die Sovjetmens nog altijd springlevend. Het is een beangstigende constatering, want hoewel Gessen in haar overweldigende boek nergens beweert dat Poetin van Rusland een totalitaire staat heeft gemaakt, zijn de ingrediënten daarvoor alom aanwezig.