Recensie

Alles komt bijeen in de tabakszaak

Robert Seethaler

Een innemende jongen gaat in Robert Seethalers roman in de leer bij een sigarenmaker in het Wenen van 1937. Na een korte liefde en een ontmoeting met Freud, pleegt hij een verzetsdaad. Een verhaal vol fijne humor.

‘Ik kan iedereen de Gestapo van harte aanbevelen.’ Met dit ironische commentaar ondertekende Freud in 1938 een verklaring goed behandeld te zijn door de Weense nazi-autoriteiten, waarna hij toestemming kreeg om met zijn gezin naar Londen te vertrekken. In de roman De Weense sigarenboer van de Oostenrijker Robert Seethaler (1966) wordt Freuds vertrek vanaf de Westbahnhof gadegeslagen door de 18-jarige Franz Huchel. Deze jongeman is evenals Andreas Egger, hoofdpersoon van Seethalers doorbraak Een heel leven, een eenvoudige, uit de Oostenrijkse bergen afkomstige figuur. Armoede dreef hem naar Wenen, waar hij in de leer gaat bij Otto Trsnjek, die een sigarenzaakje drijft. Door deze norse, maar rechtschapen man wordt Franz ingewijd in de geheimen van het vak, het verkopen van ordinaire sigaretten en pontificale sigaren, ansichtkaarten, ‘dartele bladen’ van onder de toonbank en alle op de markt voorhanden zijnde kranten. Franz moet eerst maar eens al die kranten lezen, want ‘geen kranten lezen betekende zoveel als geen sigarenboer zijn, sterker nog, geen mens zijn’.

Het is de nazomer van 1937. ‘De mensen zijn helemaal gek op die Hitler en op slecht nieuws – wat immers zowat één en hetzelfde is’, zegt Otto Trsnjek. Door de onoverzichtelijke politieke situatie stokken de sigarenleveranties, maar voor de krantenverkoop is het goed.

Een van de vaste klanten is Sigmund Freud, die volgens de sigarenboer ‘een niet onbelangrijk probleem’ heeft: hij is Jood. De vaderloze Franz voelt zich aangetrokken tot de plechtstatige oude professor, de beroemde ‘gekkendokter’, en slaagt erin een praatje aan te knopen, zelfs advies van hem te krijgen: ‘Je bent jong [...] Zoek een meisje.’

Franz raakt in de ban van de wulpse Boheemse stripteaseuse Anezka, waarna hij zich ziek van verliefdheid weer bij de professor meldt, voor wie het mysterie vrouw uiteraard ook ondoorgrondelijk is. Misschien, oppert Franz, was zijn avontuur met Anezka een kolossale vergissing. ‘Liefde is altijd een vergissing’, antwoordt Freud.

De nieuwe maatschappelijke orde dringt steeds grimmiger Franz’ leven binnen. Nadat de winkelpui is besmeurd wordt Trsnjek door de Gestapo afgevoerd, om nooit meer terug te keren; Anezka schenkt haar gunsten aan een SS’er; Freud vlucht om zijn laatste sigaren in vrijheid te roken. En na een ludieke verzetsdaad moeten we voor Franz’ lot vrezen.

De Weense sigarenboer (Der Trafikant) is een met fijne humor verteld verhaal dat zich afspeelt tegen de achtergrond van een historische nachtmerrie, de Anschluss. De personages zijn kleurrijk, maar ook levensecht. Met zijn naïviteit – het gevolg van een gebrek aan scholing en levenservaring, niet aan intelligentie – is Franz een heel innemende hoofdpersoon. Dat de zieke Freud zo goed uit de verf komt, komt mede doordat Seethaler niet met biografische kennis heeft willen pronken.

De betovering van het verhaal zit vooral in de economie van Seethalers schrijven. Elk verhaalelement vervult meerdere functies. Om een voorbeeld te geven: de tabaks- en krantenwinkel is, behalve de plek waar twee hoofdrolspelers elkaar ontmoeten, een oord van verslavend genot, maar ook een distributiedienst van het vrije woord, en later van de leugens van de gelijkgeschakelde pers, het is een symbool van Wenen in het verlengde van de koffiehuiscultuur én het lijdend voorwerp van nazi-vandalisme. Zoals deze locatie hebben ook alle hoofd- en bijfiguren een samengebalde betekenis. Daarmee heeft De Weense sigarenboer de verdichting van een droom.