Recensie

Ineens zijn er twijfels over kunstenaar Jimmie Durham

Identiteit Jimmie Durham is de bekendste Native American in de hedendaagse kunst. Nu rijst de vraag hoe authentiek zijn werk is. Maakt het uit of hij Cherokee is?

Jimmie Durham, Malinche, 1988-1992 Foto courtesy Whitney Museum

Zelfs de mythes zijn niet meer te vertrouwen. Het beeld dat At the Center of the World, de grote reizende Jimmie Durham-tentoonstelling, het beste samenvat is een vrouwenfiguur die Malinche heet. Durham begon eraan te werken in 1988. Hij worstelde op dat moment al een tijdje met zijn eigen identiteit: als Cherokee en een van de bekendste ‘Native American’-kunstenaars van de Verenigde Staten vroeg hij zich af wat identiteit voor hem betekende en hoe hij die twijfel in zijn werk kon tonen. Daarom besloot Durham een beeld te maken van Pocahontas. Pocahontas is een historische ‘Indiaan’, wier leven met heel veel al dan niet verzonnen verhalen is omgeven: ze zou een Engelse ontdekkingsreiziger van de dood hebben gered, ze zou een prinses zijn. Daardoor is de ‘echte’ Pocahontas uit zicht geraakt, ze is een mythe geworden, bij de meeste mensen vooral bekend door de Disney-tekenfilm met haar naam. Durham maakte het beeld, van een vrouw die als een machteloze marionet op een kistje zit, maar er bleef iets knagen. En een paar jaar later wist hij wat hij moest doen: hij verbouwde Pocahontas tot Malinche. Ook Malinche, een Mexicaanse, is een legendarische vrouw, maar dan omstreden: zij zou vrijwillig in dienst zijn getreden bij Hernán Cortés, de Spaanse veroveraar van Mexico, ze zou zijn vertaler zijn geweest en een kind met hem hebben gekregen – waar Pocahontas wordt gezien als een symbool van moed en betrokkenheid is Malinche een verrader.

Gespleten vrouw

Nu, door de transformatie, had Durham ze in één beeld verenigd: twee vrouwen die door een andere cultuur waren overgenomen. Dat is geen vrolijk gezicht: Durhams Malinche/Pocahontas zit er nog steeds machteloos bij, met lusteloze ledematen en een droevige blik, maar nu is de ene helft van haar gezicht ‘normaal’ Indiaans en de andere helft versierd ‘Mexicaanse’. Een gespleten vrouw. En een zelfportret, denk je nu.

Kort na de opening van de eerste versie van At the Center of the World, in het Hammer Museum in Los Angeles, gebeurde er namelijk iets dramatisch. Durhams stijl, zijn thematiek is al zijn hele carrière diep doortrokken van de Native American-cultuur. In al zijn werk speelt Durham met vormen en thema’s en vooroordelen die verwijzen naar authenticiteit, cultuur en afkomst: zijn beelden en installaties zitten vol met ‘primitieve’ gevonden voorwerpen, hij gebruikt pijlen en maskers en veren en hint naar de natuurlijke oorsprong van zijn materialen. Tegelijk blijft hij altijd dubbelzinnig, door ironisch te verwijzen naar de zogenaamd ‘authentieke’ geschiedenis van zijn objecten die overduidelijk niet waar zijn (Durhams schrijft veel teksten op zijn werk) en het bijna bezwerende geloof dat niet-Indianen aan deze ‘authenticiteit’ hechten. Daarmee groeide hij uit tot de bekendste Native American-kunstenaar ter wereld – geliefd, gekoesterd omdat hij zo speels en slim op de grens van primitieve cultuur en hogere kunst weet te balanceren.

Welke werkelijkheid is belangrijker? Kunnen ze naast elkaar bestaan of móét je kiezen?

Maar in januari, net na de eerste publiciteitsgolf rond zijn grote tentoonstelling, traden verschillende Native Americans naar buiten: Durham is helemaal geen Cherokee, zo stelden zij. Zijn (voor)ouders waren geen Cherokee, hij had nooit op Cherokee-land geleefd en was niet met een Cherokee getrouwd. Durham was dus een leugenaar, stelden zij – en meteen moest iedereen die een beetje kunsthistorisch was ingevoerd denken aan Joseph Beuys. Deze grote Duitse kunstenaar baseerde het fundament van zijn oeuvre op zijn eigen verleden: hij vertelde altijd dat hij als vlieger in het Duitse leger was neergeschoten boven Rusland, zich nog net met zijn parachute in veiligheid kon brengen en daarna was gered door de Tataren die hem met vet hadden ingesmeerd en in vilt hadden gerold. Deze materialen beschouwde Beuys sindsdien als ‘energiebronnen’ die op allerlei manieren terugkwamen in zijn oeuvre – tot de Duitse kunsthistoricus Benjamin Buchloh in 1980 behoorlijk overtuigend aantoonde dat Beuys dat hele vliegeniersverhaal waarschijnlijk uit zijn duim had gezogen. En het fundament onder Beuys’ oeuvre wankelde.

Post-American

Jimmie Durham, Tlunh Datsi, 1984. Foto courtesy Whitney Museum

Hetzelfde lijkt nu met Durham te gebeuren. Curator Anne Ellegood publiceerde nog wel een tekst waarin ze tactisch stelde dat Durham een ‘Post-American’ was, maar plotseling was de belangrijkste vraag die Durhams expositie omgaf: in hoeverre mag een kunstenaar liegen voor zijn werk? En in het verlengde daarvan: hoe belangrijk is ‘authenticiteit’ en kent de kunstwereld daar niet te veel waarde aan toe? Of was dat eigenlijk precies de vraag waar Durhams oeuvre al dertig jaar om draaide?

Met deze dilemma’s in je achterhoofd, die op de spits gedreven twijfel, wordt de versie van At the Center of the World die nu in het Whitney-Museum in New York is te zien, ineens een behoorlijk intense ervaring. Dat komt allereerst doordat je voortdurend beseft dat het geen pas geeft de gevoelens van de betrokken Native Americans te bagatelliseren. Het is voor een toch al verdrukte minderheid ongetwijfeld heel ongemakkelijk om een kunstenaar die niet uit jouw cultuur afkomstig is, te zien spelen met jouw verleden, jouw vormen, jouw beeldtaal – dat je daar kwaad om wordt is niet onbegrijpelijk. En dus voel je je als toeschouwer ervoor verantwoordelijk dat onrecht te erkennen. Maar tegelijk lokken Durhams beelden, juist omdat ze zo krachtig en speels en absurdistisch allerlei culturen en werkelijkheden met elkaar verbinden: stenen, natuur, schedels, werktuigen: Durham is een soort sjamaan (inderdaad, net als Beuys) die je erop wijst dat alles wat wordt vergeten of genegeerd een nieuw leven kan worden gegeven. Maar dat kan ook door dingen kapot te maken, zoals in de geweldige video Smashing (2004) waarin Durham, gezeten achter een bureau, met een steen objecten kapotslaat, van een zak meel tot een pompoen en een computer – pijnlijk en bevrijdend tegelijk. Dat is ook het probleem: Durhams werk heeft zo’n geschiedenis, zo’n kracht, zo’n diepe bedding in de hedendaagse kunst, dat alleen de gedachte al om dit werk voortaan te negeren voelt als een groot verlies. Maar je weet óók dat er een werkelijkheid buiten de kunst bestaat waarin voor dubbelzinnigheden weinig ruimte is. Welke werkelijkheid is belangrijker? Kunnen ze naast elkaar bestaan of móét je kiezen? Dat salomonsoordeel-achtige dilemma, waarvan onze cultuur op dit moment zo doortrokken is (variërend van Trump tot Zwarte Piet) maakt Durhams kunstenaarschap actueler dan ooit – en At the Center of the World een pijnlijk confronterende expositie.