Recht & Onrecht

Toezichthouders vind je overal, maar van wie zijn ze en wie let op ze?

De vorming van de nationale politie heeft ook tot belangrijke lokale tekorten geleid, die worden gevuld met boa’s. Piet van Reenen schrijft in de Politiecolumn dat samenhang, toezicht en financiering problemen zijn.

De Buitengewoon Opsporings Ambtenaar, hier belast met de bescherming van dieren. Foto Floren van Olden

Boa’s zijn niet alleen slangen, het zijn ook buitengewone opsporingsambtenaren. Boa’s vind je overal. Boswachters, gezagvoerders van vliegtuigen, milieuambtenaren, treinconducteurs, rechercheurs van de FIOD, handhavers in gemeenten,  een bonte verzameling. Wat hen bindt is een opsporingsbevoegdheid voor specifieke wetten.

Een deel van de boa’s hoort bij een ministerie, zoals bijvoorbeeld de inspectie SZW, en heeft een eigen plaats, werkterrein en deskundigheid. Boa’s bij gemeenten en provincies hingen er heel lang maar wat bij, een verwaarloosde groep. Dat verandert. In grote gemeenten zijn aparte diensten van handhavers ontstaan die een deel van de toezicht en surveillancetaak van de politie  hebben overgenomen.

Lokale verwaarlozing

De nationalisering van de politie heeft die  beweging versterkt. Daar, bij de politie,  heeft de dominantie van landelijke prioriteiten geleid tot een schrijnend tekort voor  de lokale handhaving. Extra bezuinigingen bij de politie hebben die klachten over lokale verwaarlozing versterkt. De emancipatie van boa’s is de reactie van  gemeenten die zoeken naar nieuwe mogelijkheden om  veiligheidsvragen uit de bevolking te beantwoorden.  Langzamerhand overtuigd dat het handhavingsheil voor de lokale veiligheid  onvoldoende  van de rijksoverheid en de politie blijft komen, organiseren ze hun eigen veiligheidszorg en ze zijn daar inmiddels al behoorlijk ver in gekomen.  Breed veiligheidsbeleid,  integraal zelfs,  eigen georganiseerde  informatieverzameling en een sterke toename van “handhavers” – boa’s dus –  in steden.  Het is een internationale trend: nationale politiesystemen gaan samen met  de groei een sterke lokale politiezorg  in de metropolen, een stille revolutie in de lokale veiligheidszorg.

Gulzig begrip

Die stille revolutie stoot nu op  een probleem: samenhang, organisatie en geld. Vroeger, toen nagenoeg het hele toezicht door de politie werd verzorgd, was de afstemming van de verschillende delen van die zorg een interne zorg van de politie. Toen al was die afstemming soms lastig, maar je kon er  als puntje bij paaltje kwam toch steeds een politiechef op aanspreken. Maar nu gaat het om  breed beleid, waarbij veel meer organisaties betrokken zijn. Van sommige daarvan is de samenhang in het eigen domein al problematisch. Jeugdzorg bijvoorbeeld, overgeheveld naar de gemeenten  is zeker niet op orde en wat te denken van de zorg voor overlastgevende bewoners met psychische problemen, om er maar een paar te noemen.

Achter de sympathiek klinkende  termen als  “veiligheidsbeleid” of zelfs “integraal veiligheidsbeleid” gaan lastige conceptuele en hardnekkige organisatieproblemen schuil. Het conceptuele probleem is de onbegrensdheid van het  veiligheidsbegrip, het is een gulzig begrip. Alles kan eronder vallen. Daarmee is de vraag hoe je veiligheid bewerkstelligt ook heel lastig te operationaliseren.  Zeker als je dat dan ook nog “integraal” wilt doen.

Doekje

Hoe vervolgens die lokale zorg goed te organiseren is,  het volgende vraagstuk, is  een governance-probleem van de eerste orde. De Rotterdamse stadsmarinier is geboren uit wanhoop over de organisatorische  problemen  bij de invoering van het lokale veiligheidsbeleid daar.  Hij is gebleven, de stadsmarinier,  maar nog steeds als een doekje voor niet te stelpen organisatiebloeden.

Een  derde complicatie is politiek van aard, want wie gaat de lokale veiligheidszorg aansturen? Wie is  bevoegd gezag? Nu is voor de handhaving van de openbare orde nog de burgemeester verantwoordelijk, een niet-gekozen bestuurder. Voor  lokale beleidsgebieden die veiligheid raken, moet dat een wethouder zijn. Bij de politisering van lokaal veiligheidsbeleid liggen conflicten tussen burgemeester en wethouders op de loer.

Natuurlijke grenzen

Een laatste barrière wordt gevormd door de financiering.  Gemeenten mogen nu  maar beperkt  eigen belastingen opleggen en gemeentelijk veiligheidsbeleid loopt al heel snel tegen de grenzen van de financiële mogelijkheden aan. Uitbouw van lokaal veiligheidsbeleid moet dus ook leiden tot verruiming van de mogelijkheid om gemeentelijke belastingen op te leggen.

De emancipatie van boa’s is deel van een ontwikkeling in het lokale veiligheidsbeleid die nu tegen zijn natuurlijke grenzen aan begint te lopen. Verdere ontwikkeling vraagt nieuwe initiatieven: nadere bepaling van wat lokale “veiligheid” dan wel zou moeten zijn, verheldering of gewoon schrappen van de integrale ambitie, een werkbaar organisatorisch kader bieden voor de uitvoering en de handhaving, een sturingskader dat politisering van lokaal veiligheidsbeleid voorkomt  en meer financiële ruimte voor gemeenten om hun eigen veiligheidsbeleid te financieren.  Wil lokaal beleid echt van de grond komen, dan moet er echt nog heel veel gebeuren. Welke kant het ook op gaat, de boa’s zijn er in ieder geval  klaar voor.

De Politiecolumn wordt wekelijks geschreven door deskundigen uit de wereld van politie en wetenschap. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar Politie en Mensenrechten.