Recensie

Hoe Lukkassen de ‘stervende samenleving’ wil redden, blijft ongewis

Boekrecensie Levenslust en doodsdrift

De ‘stervende samenleving’ behoeft een ‘totale taboedoorbreking’, meent de rechts-revolutionaire filosoof Sid Lukkassen.

Destruction (1836) door Thomas Cole uit zijn schilderijenreeks The Course of Empire. Foto Getty Images

Welk beeld van Nederland gaat er schuil achter de Sturm und Drang van politiek jong-rechts? Gelukkig is er om dat te peilen nu de bundel Levenslust en Doodsdrift van Sid Lukkassen, de publieke intellectueel van het nieuwe vitalisme.

De filosoof Lukkassen (1987) is VVD-raadslid in Duiven, maar allesbehalve een klassieke partij-liberaal; hij wordt gevierd in kringen van Baudets Forum voor Democratie. De waardering is wederzijds: in Levenslust en Doodsdrift valt de naam Baudet geregeld als hoop voor de vaderlandse toekomst. Aan Baudets roman Voorwaardelijke liefde (2014) wijdt de auteur een minutieuze exegese.

Lukkassens diagnose is een rechts-revolutionaire: we leven in een ‘stervende samenleving’, verpest door feminisme en cultuurmarxisme. De elite is ruggengraatloos. De EU-bureaucraat is, met een verwijzing naar Nietzsche, onze ‘laatste mens’.

Die crisis, meent de auteur, is verankerd in seksuele degeneratie en verlies van mannelijkheid. De vrouw is losgemaakt uit ‘traditionele structuren’ en heeft seksuele selectiemacht gekregen. De ‘toegang’ tot seks is versmald tot ‘alfamannetjes’. De massa-immigratie van jonge mannen uit virielere, niet-westerse culturen vergroot de ellende nog.

Met funeste gevolgen. Niet alleen krijgen Nederlanders te weinig kinderen, voor elke cultuur is vereist ‘dat er een leger van seksueel duurzaam bevredigde mannen moet bestaan die een beschaving onderhouden’. Zoniet, dan zullen de moslims - een vast radicaal-rechts thema - ‘uiteindelijk het volk vervangen’.

Lukkassen schrijft dit alles op een pontificaal erudiete toon, die curieus wisselt tussen het gekraak van omvallende boekenkasten en eenzame monologen op een jongenskamer. Verklaart de macht van vrouwen, vraagt hij zich bijvoorbeeld ook af, de populariteit van het ‘kort-pittig kapsel?’ Wie zal het zeggen.

Maar, is er nog hoop?

De musculatuur van haar onderbuik

Een ommekeer is geboden: ‘polyamorie, eugenetica en een grotere rol van de gemeenschap in de opvoeding.’ Inclusief ‘communeverbanden en gearrangeerde huwelijken.’ Of en hoe die ‘renaissance’ een wettelijk kader moet krijgen, blijft ongewis.

Wel vergast Lukkassen de lezer wel op treffende anekdotes, zoals zijn ontmoeting met een ‘knappe jongedame met een migrantenachtergrond’. Haar rok ‘accentueerde hoe haar venusheuvel afstak tegen de musculatuur van haar onderbuik’. Elders treffen we hem in de bioscoop met een dame die ‘met haar mond over mijn nek’ beweegt. Ook belandt hij op de kamer van een ‘zeer opgewonden maar ook zeer religieuze jongedame’, die hem evenmin toestaat de zaak af te ronden. Hier is, deels, zijn lyrische kijk op vrouwelijke fysionomie: ‘Ook een kleine bilpartij is zeer aantrekkelijk wanneer de billen aan de oppervlakte zacht en soepel zijn, maar hard en stevig qua onderliggend spierweefsel.’

Maar deze denker zingt ook graag zijn eigen lof. Het boek telt vele zinnen als: ‘Begin 2015 debuteerde ik met Avondland en Identiteit. Het boek trok al snel aandacht van invloedrijke figuren’. In die eerdere studie prijkt inderdaad een foto van: Mark Rutte, breed lachend met het boek in zijn handen gedrukt.

Maar wat moet Rutte dóen? Suggesties voor politieke operationalisering zijn schaars. Hij hoopt vooral op een ‘metafysische’ omwenteling. ‘De mensen met de ondergewaardeerde vakken, zoals monteurs, tuinders en bouwvakkers [...] zullen de nieuwe aristocratie zijn.’ Dan zal het weer gaan om ‘tastbare welvaart’ zoals ‘huizen en gewassen’.

In welke traditie staat dit? Lukkassens afkeer van liberale geestloosheid doet denken aan de Duitse conservatieve revolutie. Ook zijn afkeer van amoreel kapitalisme past daarbij. Zijn seksuele determinisme deelt hij met Michel Houellebecq en met een auteur als Wilhelm Reich.

Tegelijk ademt zijn werk klassenstrijd en arbeiderisme. Lukkassens helden zijn dakdekkers, metselaars en monteurs. Kerels die iets neerzetten, ‘zoals de Romeinse man een aquaduct’. Kapitaal en arbeid zijn bij hem vervangen door arbeid en seks, de strijd om productiemiddelen door die om ‘toegang’ tot vrouwen, productiemiddel van ‘het volk’.

Ook in zijn eigen rol blijkt Lukassen schatplichtig aan de marxistische vijand. Zijn werk is cultuurmarxisme zoals Antonio Gramsci (1891-1937) het bedoelde: ‘organische intellectuelen’ dienen de revolutie te bevorderen in de bovenbouw. Bij Lukkassen dus geen pleidooi voor een vakbond, of een datingsite, voor monteurs. Zijn wapen is het woord, zijn barricade een proefschrift. Kortom, de ware Gramsciaan in de slag om culturele hegemonie in Nederland is dr. Sid Lukkassen, seksmarxist.