Column

Poolse en Hongaarse leiders trippen op het interbellum

Warschau en Boedapest gebruiken Midden-Europese, nostalgische sentimenten, maar dekken risico’s met Atlantische militaire protectie af, zegt Hubert Smeets.

Krijgt Polen eindelijk zijn echte leider? Premier Beata Szydlo werd donderdagavond geloosd. Minister Mateusz Morawiecki van Financiën neemt haar plaats in. Ook partijchef Jaroslaw Kaczynski, nu simpel parlementslid voor regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS), werd genoemd. Het wordt tijd. Zijn koosnaam is niet voor niets naczelnik: leider met grote L.

Die term refereert aan het interbellum. Kaczynski zou zich willen meten met Josef Pilsudski, naczelnik pańnstwa na de Eerste Wereldoorlog. Generaal Pilsudski (1867-1935) schiep toen de voorwaarden voor een nieuw Polen, dat sinds 1795 onderworpen was geweest aan Pruisen, Habsburgers en Russen.

Zijn Hongaarse collega Viktor Orban spiegelt zich eveneens aan het interbellum: aan admiraal Miklos Horthy (1868-1957). Tot 1944 was Horthy regent van het in het Verdrag van Trianon (1920) gedecimeerde Hongarije. Hij omringde zich met antisemieten die in de Tweede Wereldoorlog ongekend huis zouden houden.

Onder het motto ‘wie het laatst lacht, lacht het best’ voert Orban nu niettemin campagne tegen kapitalist/filantroop George Soros. Dat heeft volgens Orban niets te maken met diens Hongaars joodse achtergrond, louter met zijn vermeende „plan Europa te overspoelen met vluchtelingen” en de volkeren hun „christelijke en nationale identiteit te ontnemen”. Dergelijke redeneringen worden ook hier gemeengoed, bijvoorbeeld bij GeenStijl dat de naam Soros – gecombineerd met ‘macht’ en ‘manipulatie’ – ook gebruikt als weet-u-wel-verklaring voor het kwaad in hun wereld van nu.

In het Westen wordt de populariteit van Kaczynski en Orban gezien als een stap naar een autoritaire democratie à la Poetin of Erdogan, dan wel als een keuze tegen Europa.

Kazcynski en Orban zijn inderdaad anti-Brussel. Maar beiden kunnen niet echt anti-EU zijn. In Hongarije steunt 67 procent de EU. Vóór de Brexit was dat krap 60 procent. In Polen is 88 procent nu pro, tegen 81 procent in 2015.

De migratiekwestie is vaak dé verklaring voor deze paradox. Er is ook een andere: het nationale of post-imperiale syndroom dat in Polen respectievelijk Hongarije opspeelt.

Polen en Hongarije zijn na-ijlende naties. De natiestaat, een 19de eeuws idee, kon daar als democratisch concept pas eind 20ste eeuw tot wasdom komen: na de val van de Berlijnse Muur in 1989 en nadat beide landen zich aan de Sovjet-Unie hadden onttrokken. In de enige periode waarin Polen en Hongarije zich eerder natiestaten konden noemen (het interbellum) mondde dit immers uit in het fascistoïde systeem dat voor de oorlog zo dominant was.

In Polen en Hongarije noopt deze valse start van hun natiestaat steeds minder tot reflectie, en steeds meer tot trots. In de canon van Kazcynski en Orban zijn de militaire leiders Pilsudski en Horthy helden van ‘onze tijd’. Kaczynski memoreert de heroïek van de tweefrontenstrijd die Polen altijd jammerlijk verloor. Zijn weerzin en haat richten zich tegen zowel Duitsland als Rusland – alsof er weer 18de eeuwse delingen op komst zijn. In Hongarije komt daar bij dat de nationalisten er flirten met het idee dat het ooit zo grote rijk is verraden door de krimp na het Verdrag van Trianon. Dit vertaalt zich een eeuw later in het revanchisme van Orban.

Kazcynski en Orban spelen dubbel spel. Ze gebruiken Midden-Europese nostalgisch nationalistische sentimenten, maar dekken de risico’s af met atlantische militaire protectie.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.