Politici die het eens zijn, maar toch ruziën. Waarom?

Nieuwspoortrapporteur Carin Gaemers

Zorgactivist Carin Gaemers, die samen met Hugo Borst streed voor betere ouderenzorg, keek van buitenaf naar de politiek. In haar rapport levert ze scherpe kritiek op de cultuur aan het Binnenhof.

Carin Gaemers en Hugo Borst, auteurs van het manifest Scherp op Ouderenzorg Foto Andreas Terlaak

Het is 8 februari van dit jaar, en op de tweede etage van het Tweede Kamergebouw woedt een keihard politiek gevecht over de ouderenzorg. Het kabinet van VVD en PvdA (2012-2017) heeft bezuinigd op verpleeghuiszorg. Toch heeft de VVD in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van maart ineens aangekondigd 2 miljard euro voor verpleeghuizen uit te trekken. Dat pikken de collega-Kamerleden, die al veel langer meer geld voor ouderen eisen, niet. Fleur Agema (PVV) noemt de VVD de partij van de „ouderenhaat”, Renske Leijten (SP) noemt de draai van de VVD „niet normaal”, Vera Bergkamp (D66) „schaamt” zich voor de politiek.

Op de publieke tribune kijkt Carin Gaemers toe. Het manifest ‘Scherp op Ouderenzorg’ dat zij samen met journalist en schrijver Hugo Borst heeft opgesteld is de reden voor het debat. Maandenlang gingen Gaemers en Borst langs Tweede Kamerleden om te pleiten voor betere ouderenzorg.

De moeders van Gaemers en Borst zaten in hetzelfde Rotterdamse verpleeghuis, waar ze het steeds slechter kregen. Dat huis, waar ooit goede en liefdevolle zorg werd gegeven, viel ten prooi aan reorganisaties en bezuinigingen. ‘Transitieprognoses’, ‘jaarplannen vol ondoorgrondelijke resultaatdoelstellingen’ en ‘product-marktcombinaties’ brachten een verpleeghuismanagement voort dat totaal geen oog meer had voor belangen van de bewoners. Die verzonken zonder liefdevolle zorg steeds vaker in „diepe apathie”.

In Den Haag vinden Gaemers en Borst gehoor. Alle politieke partijen sluiten zich aan bij hun wens tot betere ouderenzorg en meer geld voor verpleeghuizen. Het succes van Gaemers en Borst valt op: op 8 februari krijgen ze de Machiavelliprijs die jaarlijks wordt uitgedeeld voor een bijzondere prestatie op het gebied van publieke communicatie. Terwijl Gaemers de prijs ’s avonds krijgt, weet niemand in de zaal dat ze zich grote zorgen maakt over het debat dat ze diezelfde dag in de Tweede Kamer volgde. Betekent de „verbale veldslag” die ze daar zag dat er toch niets terechtkomt van de plannen voor betere ouderenzorg?

Buiten de Haagse kaasstolp

Die zorgen vormen het startpunt voor een onderzoek dat Carin Gaemers de afgelopen maanden deed voor de commissie Democratie en Debat van pers- en debatcentrum Nieuwspoort. Haar rapportage komt deze donderdag uit. Ieder jaar wijst de instantie zo’n ‘Nieuwspoortrapporteur’ aan – iemand van buiten „de Haagse kaasstolp” die een analyse maakt van de werkelijkheid aan het Binnenhof. Net als haar voorgangers, onder meer Joris Luyendijk en het Nationaal Toneel, kiest Gaemers één hoofdonderwerp: in dit geval de kloof tussen het politieke spel en de praktijk.

In haar rapport beschrijft Gaemers op indringende manier haar ervaringen in de politieke wereld waarin zij zo toevallig verzeild raakte. Ze sprak erover met onder meer voormalig staatssecretaris Martin van Rijn (VWS, PvdA) en twee ex-topambtenaren van het ministerie voor Volksgezondheid: Geert van Maanen (1998-2007) en Roel Bekker (2007-2013), allebei jarenlang de hoogste ambtenaar op het ministerie van VWS.

Ze stellen Gaemers gerust over het harde debat dat de Tweede Kamerleden met elkaar hadden over verpleeghuiszorg. Dat, vertellen ze haar, was een puur politieke strijd – die weinig te maken heeft met de inhoudelijke besteding van de 2,1 miljard euro die uiteindelijk beschikbaar kwam voor verpleeghuizen. Daar gaat het ministerie van Volksgezondheid over. Gaemers schrijft: „De politiek bereikt overeenstemming over het wat, maar niet over het hoe.”

Dat komt ook, vertellen Van Maanen en Bekker haar, doordat de ambtenarij meer macht naar zich heeft toegetrokken ten koste van de ministerraad. Voorheen schreef de ambtelijke topdrie scenario’s voor nieuw beleid, op basis van het verkiezingsprogramma van de nieuwe bewindspersoon. Die koos daarna de variant met het meeste draagvlak in het kabinet. Tegenwoordig hebben de ambtenaren dat omgedraaid: beleid wordt vanuit het ministerie opgesteld aan de hand van ontwikkelingen en het draagvlak in de (zorg)sector: van verschillende varianten is geen sprake meer.

Topambtenaren en geld

De topambtenaren laten zien dat het ministerie helemaal niet blij is met de enorme som geld die in één keer is vrijgekomen voor de verpleeghuiszorg. Volgens Roel Bekker speelt „electoraal gewin zeker een rol” bij die beslissing van de Tweede Kamer, maar erg werkbaar is het niet. Bekker, in het rapport: „Stort je 2 miljard euro op de rekening van de gezamenlijke verpleeghuizen dan gebeurt er nog niets. Bovendien is het niet veel als je het deelt door het aantal instellingen. Dan verdwijnt het op een ongrijpbare manier. Daar kunnen ze misschien een feestje van geven. […] Het is niet zo dat er een grote hoeveelheid vakkundig verplegend personeel thuis zit te smachten naar een baan. Was het maar zo.”

De zorgen van Gaemers over de werkelijke besteding van het geld lijken dus gegrond. En hoewel zij in haar rapport met respect (voor hun kennis) en begrip (voor het gebrek aan tijd om zich te verdiepen) schrijft over Tweede Kamerleden, is haar verhaal dan ook zeer kritisch. Buiten de vraag waar het geld voor verpleeghuizen terechtkomt, signaleert zij een andere Haagse gewoonte.

Werkelijke systeemproblemen – managers die het zicht op de praktijk hebben verloren en daarmee de gezondheidszorg onpersoonlijk hebben gemaakt – zien politici volgens de ‘Nieuwspoortrapporteur’ onvoldoende. En dat geldt volgens Gaemers niet alleen voor de ouderenzorg. Ze somt rapport na rapport op (van de Nationale Ombudsman, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de commissie Behoorlijk Bestuur, de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties) waarin wordt gewaarschuwd voor dit soort problemen.

Herman Tjeenk Willink schreef dit jaar nog een bijlage bij zijn eindverslag als informateur waarin hij uiteenzet dat ministers en volksvertegenwoordigers „onmachtig” blijken „te voorkomen dat juist burgers in de problemen in het woud van regels de weg kwijtraken en zich door de overheid niet gehoord of begrepen voelen.”

De stapel rapporten weerspiegelt precies wat Gaemers en Borst in hun manifest hebben proberen te verwoorden. En hoewel ze blij is dat er extra geld naar verpleeghuiszorg gaat, zijn haar zorgen over een goede besteding van het geld dan ook niet verdwenen. Gaemers schrijft: „Wanneer beleid in de praktijk niet leidt tot het gewenste resultaat, wordt dit nooit toegeschreven aan een fundamentele fout in het systeem, maar opgevat als een signaal dat verder aan het systeem moet worden gesleuteld.”