Onderwijsministers laveren behendig door eerste debat

Kamerdebat

Ingrid van Engelshoven, minister ván, en Arie Slob, minister vóór Onderwijs hadden het woensdag niet zwaar in een tevreden Tweede Kamer.

Minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (D66) en Minister Arie Slob voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media (ChristenUnie) in de Tweede Kamer tijdens het debat over de onderwijsbegroting van het nieuwe kabinet. Foto Bart Maart

Het ministerschap van Arie Slob is hectisch begonnen. Hij heeft niet kunnen voorkomen dat leraren van basisscholen komende dinsdag gaan staken. Zij willen honderden miljoenen euro’s meer voor salarisverhoging dan de minister voor primair onderwijs tot zijn beschikking heeft. Vorige week moest hij zich in een concertzaal in Amsterdam al verweren tegen felle kritiek van ontevreden docenten. Maar van die felle maatschappelijke discussie was woensdag en donderdag in de Tweede Kamer weinig te merken. In het eerste grote onderwijsdebat met Slob (ChristenUnie) en de andere minister van Onderwijs, Ingrid van Engelshoven (D66), klonk veel tevredenheid.

Uiteraard was er kritiek. Oppositiepartijen willen meer geld om de loonkloof tussen onderwijzers op basis- en middelbare scholen te dichten en vinden dat het kabinet de urgentie van het lerarentekort onderschat. Maar ze beseffen dat geen departement in Rutte III zoveel extra geld krijgt als Onderwijs: 1,7 miljard euro, waarvan 700 miljoen specifiek voor het basisonderwijs. “Het beeld dat er niets gebeurt, is niet waar”, zei Slob.

Daarnaast schrapt het kabinet zaken waar Kamerleden zich tegen hebben verzet, zoals de Rekentoets op middelbare scholen, gedwongen schoolfusies in krimpregio’s en het bekostigingssysteem voor mbo-scholen dat verdere doorstroom belemmert. Daarvoor kregen Van Engelshoven en Slob complimenten vanuit de Kamer.

De ministers werden ook niet hard aangepakt omdat zij nieuw zijn. „Ik sta hier in mijn zesde week als minister. U kunt niet van mij verwachten dat alle ambities uit het regeerakkoord nu al zijn uitgewerkt", verzuchtte Van Engelshoven toen GroenLinks toch aandrong. De problemen in het onderwijs hebben zij en Slob immers geërfd van het vorige kabinet. Een nooit uitgevoerde bezuiniging van een half miljard werd door D66 gedoopt tot „het gat van Asscher”.

De spannendste onderwerpen in de komende periode vallen overduidelijk onder Slob, terwijl hij ‘maar’ de tijdens de formatie toegevoegde minister vóór Onderwijs is en Van Engelshoven als minister ván Onderwijs de baas van het departement is.

Zij gaat over het mbo, hoger onderwijs, wetenschap, cultuur en emancipatie. Hij heeft naast de zorg voor 2,5 miljoen leerlingen in het basis- en middelbaar onderwijs ook het lastige mediadossier onder zich, inclusief de financiële problemen van de publieke omroep. Ze zijn allebei verantwoordelijk voor de helft van de onderwijsbegroting van 40 miljard euro.

Bovendien heeft hij meer ervaring aan het Binnenhof. Slob, zelf oud-leraar, sloot als fractievoorzitter van de ChristenUnie diverse akkoorden met de laatste twee kabinetten. Hij kent alle formuleringen om Kamerleden te laten denken dat ze echt iets te zeggen hebben over het onderwijsbeleid.

Jargon

Van Engelshoven was maar enkele maanden Tweede Kamerlid. Maar met haar ervaring als wethouder in Den Haag, onder andere van Onderwijs, laveerde ze behendig door haar eerste debat – al hakkelde ze soms en gebruikte ze jargon als cascadefinanciering en gendermainstreaming.

De gemoedelijkheid in de Kamer komt ook doordat er geen grote ideologische politiek discussie gaande is over het onderwijsstelsel. Elke partij wil meer investeren in onderwijs, alleen niet allemaal evenveel.

PVV-Kamerlid Harm Beertema trachtte wel een ideologische richtingenstrijd aan te wakkeren tussen de D66-minister, die zou vinden „dat het Nederlands als wetenschaps- en cultuurtaal zijn langste tijd gehad heeft en het liefst overstapt op Engels” en de ChristenUnie-minister, die „hecht aan de eigenheid van Nederland” en zich „identiteit, taal en tradities zonder bezieling nauwelijks kan voorstellen”.

Het was inderdaad zo dat Van Engelshoven Engelstalig hoger onderwijs omarmde en droomde over „vrouwelijke Nederlandse Nobelprijswinnaars”. Slob maakte zich er hard voor dat alle „unieke schepselen” moeten kunnen blijven genieten van „kwaliteitsonderwijs dat bij de overtuiging” van hun ouders past. Een ideologisch verschillende insteek, maar ook een die past bij de verschillende portefeuilles die hun is toebedeeld.