Column

Niet het strand

Wie zoals ik wat banger aangelegd is dan de gemiddelde mens, vindt in de loop der jaren zijn eigen foefjes uit om de dagen door te komen: sommigen verdunnen hun vrees met een wijntje, anderen sporten drie keer per week zodat ze genoeg ademruimte hebben voor de volgende blauwe envelop.

Tot afgelopen zaterdag had ik een trucje dat ik jarenlang succesvol inzette wanneer de angst me overspoelde. Ik heb op zijn tijd last van pleinvrees. Soms ben ik in een vreemde omgeving en slaat de paniek toe: koud zweet, razende gedachten, Ben Cramer die in mijn oor fluistert dat het nooit meer goed komt. Wat ik dan doe is mezelf ankeren: ik zoek in de omgeving dingen die me doen denken aan het dorp waar ik vandaan kom, een putdeksel, coniferen, heggen. Het type huis waarin ik opgroeide kan je in heel Nederland terugvinden, waardoor ik me op onbekende plekken, als de pleinvrees weer eens dreigt wortel te schieten, snel thuisvoel. Maar er zit ook een keerzijde aan.

Zaterdagavond wandelde ik met mijn geliefde over straat. Ik slaap de laatste tijd weer eens minder goed: ik heb het te druk gehad, ben slap maar kan niet rusten, en zo maakten we een ommetje tot ik er zat van was.

Het woei flink. Op een zeker punt bereikten we een open plek in mijn favoriete park. De wind stoof door ons haar. Ik sloot mijn ogen en spreidde mijn armen.

„Kijk”, zei ik tegen mijn vriend, de ogen gesloten, „het voelt net alsof je op het strand staat!”

„Maar je bent op een van je lievelingsplekjes!” zei hij verbaasd. „Waarom zou je hier willen doen alsof je ergens anders bent?”

Ik schrok: het ontsnappen was een gewoonte geworden! Opeens besefte ik dat ik dit trucje veel vaker toepas dan noodzakelijk: laatst nog in een fijn eetcafé dat ik nog leuker probeerde te maken door te doen alsof het een goed restaurant uit mijn jeugd was. Wanneer ik in bed lig doe ik alsof het het enorme hemelbed van mijn grootmoeder is, in plaats van mijn comfortabele twijfelaar. Ik ben bovendien niet de enige die hier een handje van heeft. Vrienden met wie ik in de zomer op een zwoel Gronings terras zat, hoorde ik zeggen dat het net Zuid-Frankrijk was. Plekken die van zichzelf al fijn zijn, proberen we zo nóg fijner te maken, terwijl je daarbij de kans loopt uit het oog te verliezen dat de plek bijzonder genoeg is.

„Je bent verslaafd geraakt aan ontsnappen”, zei mijn geliefde. Ja, dacht ik. En daardoor alsnog opgesloten.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.