Column

Het raadselachtige offer van Dijsselbloem

De Nederlandse regering heeft Jeroen Dijsselbloem als een baksteen laten vallen. Berlijn en Parijs hadden gevraagd of de gewaardeerde oud-PvdA-minister tot januari 2019 wilde bijtekenen als voorzitter van de eurogroep, de club van ministers van Financiën van de eurolanden. Daarmee lag de bal voor een topbenoeming op de stip, maar tot veler verrassing weigerde Den Haag zelf die erin te knallen, zoals NRC onthulde. Lekker eigenwijs. Maar welk nationaal belang is hiermee gediend?

Het verhaal luidt dat Den Haag het kruit droog wilde houden voor andere benoemingen. Bijvoorbeeld die van topambtenaar Hans Vijlbrief (D66) tot voorzitter van de werkgroep die de euro-ministerraden voorkookt; een grote scoringskans, maar wel in een lagere divisie. Voorts was sprake van het lanceren van bankpresident Klaas Knot richting Europese Centrale Bank – al is de opvolging van Mario Draghi, wiens termijn najaar 2019 afloopt, een long shot. En wie weet denkt Mark Rutte (VVD) zelf aan een Europese toekomst. Deze week belandde de premier met stip op vier op een Brussels roddellijstje van personen die 2018 gaan bepalen; politico.eu ziet hem als „toekomstige Europese-Raadsvoorzitter”, dus opvolger van Donald Tusk, eind 2019.

Vast geen hoofdmotief om Dijsselbloem te offeren, maar allicht wel om als diens opvolger in de eurogroep niet de liberale Luxemburgse kandidaat te steunen (een partijgenoot en Beneluxpartner) maar nota bene een Portugese sociaaldemocraat, want dan kan volgend jaar niemand zeggen dat er te veel liberalen op topfuncties zitten.

Dijsselbloems opvolger, Wopke Hoekstra (CDA) – die zichzelf zo verloste van iemand die in euroland de show zou stelen – kwam met een inhoudelijk argument voor het offer: Nederland wil dat de Eurogroep wordt geleid door een zittende minister, „die het erbij doet”, dus geen ‘voltijder’.

Juist een Nederlandse eurogroepvoorzitter had Nederlandse belangen kunnen dienen.

Die vraag raakt de kern van de eurozone-hervorming. Parijs had wel oren naar verlenging van Dijsselbloem, juist omdat hij géén minister meer is; het scheiden van nationaal mandaat en Europese rol zou een precedent scheppen, opstapje naar meer. Denk aan de ‘superminister’ van Financiën, waarvoor Commissievoorzitter Juncker deze week plannen presenteerde; Macron vindt dit interessant, terwijl Nederland (terecht) fel tegen is.

Zo bezien was de Franse steun voor Dijsselbloem een lokkertje en allicht gniffelt Financiën nu dat het niet heeft toegehapt. Toch is dat dan te vroeg gegniffeld, want niet alles kan bij het oude blijven. De eurocrisis (2010-12) heeft laten zien hoe politiek het runnen van de muntunie is. Want dat is niet alleen technocratisch regels toepassen maar ook: keuzes maken, handelen in het openbaar, het Europese publiek overtuigen. Juist daarom was er kritiek op de machtige maar ondoorzichtige eurogroep.

Juncker gaat nu in de overdrive met zijn superminister: die zou vicevoorzitter van de Commissie zijn, eurogroepvoorzitter, plus internationaal ‘euro-aanspreekpunt’, reddingsfondsen beheren, ECB-vergaderingen bijwonen, rekenschap afleggen aan het Europees Parlement en nationale parlementen bezoeken. Een machtsgreep, zonder oog voor evenwichten. En met zoveel taken ineen dat je kunt uittekenen wat er uit diens agenda zou wegvallen: juist de nationale parlementen.

Daarentegen valt er veel voor te zeggen om de bijbaan van eurogroepvoorzitter op te waarderen tot een voltijdse. Die persoon zou niet alle sleutels in één hand hebben, maar wel zichtbare politieke verantwoordelijkheid dragen en eurobesluiten in Straatsburg en nationale hoofdsteden kunnen verdedigen. De herbenoemde Dijsselbloem had er prachtig mee kunnen beginnen; en onderweg het eurozonedebat kunnen sturen naar waar Den Haag het wil hebben: weg van de superminister. Nu krijgen we de Portugese minister Centenos, die op de vraag naar een toekomstige dubbele pet gretig ‘ja’ zei. Tel uit je winst.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve). Onlangs verscheen zijn boek De nieuwe politiek van Europa.