Cultuur

Interview

Interview

‘Naar de disco kun nog tot je tachtigste. Op hoog niveau kunstschaatsen kan je alleen nú’

Lunchinterview Sjoukje Dijkstra won als kunstrijdster alles wat er te winnen was. In 1964 zelfs alle titels in één jaar. Haar leven lijkt op een wintersprookje.

Zelfs voor wie haar nooit zag schaatsen, is Sjoukje Dijkstra (75) een begrip. Na haar heeft geen Nederlander meer zo geschaatst als zij. Nationaal (6 keer), Europees (5 keer) én wereldkampioen (3 keer) kunstrijden, in topjaar 1964 won ze alle titels, plus een gouden olympische medaille. Voorzagen haar vader en grootvader dat toen ze haar een paar schaatsen gaven voor haar zesde verjaardag? Ze hoopten het misschien. Haar vader had nog meegedaan op de Spelen van 1936, als hardrijder. Zelf is ze vooral „eeuwig dankbaar” dat ze kunstschaatsen kreeg, en geen Friese doorlopers of noren. „Hardrijden vind ik niks.”

Hoe ze bij die kunstschaatsen kwamen, ze zou het echt niet weten. Het was 1952, er was nog geen tv, dus wie zag ooit die schaatswedstrijden, zou je denken. „Ongetwijfeld heeft mijn vader in ’36 Sonia Henie in het echt zien schaatsen.” Die andere beroemde kunstrijdster, uit Noorwegen. Hoe dan ook, Sjoukje ging op les. Op de ijsbaan in de Apollohal in Amsterdam. Amsterdam? „Zo vaak beginnen mensen tegen me in het Fries. Ja, sorry, zeg ik dan. Dat versta ik niet.” Ze is er geboren, dat klopt, maar kort na haar geboorte verhuisde ze naar Amstelveen, waar haar vader een huisartsenpraktijk kon overnemen.

Nu woont ze alweer veertig jaar in het huis in Hilversum dat haar echtgenoot ooit kocht voor de korte periodes dat hij even geen betrekking had bij een circus. Met Karl Kossmayer, dresseur van muilezels en paarden, was Sjoukje Dijkstra bijna vijfentwintig jaar getrouwd. „Met Kerst is het 17 jaar geleden dat hij overleed.” We zitten pal naast de verwarming bij De Jonge Haan in Hilversum. Wegens kou en gladheid haalt en brengt een vriendin haar met de auto. Ze nestelt zich nog wat dichter bij de kachel. „Lekker warm.” Verdrietig ja, zegt ze, dat hij er niet meer is. „Maar ik heb hem toch een hele tijd gehad.” Ze scheelden 25 jaar in leeftijd.

Gips

Dat Sjoukje Dijkstra talent had, bleek al snel daar op de ijsbaan in Amsterdam. „De trainer vroeg aan mijn vader of ik niet wat meer lessen mocht. Dat mocht, maar m’n vader moest er wel z’n hele praktijk op inrichten.” Twee, drie keer per week haalde hij haar uit school en bracht haar naar de ijsbaan. „In het begin bleef hij daar wachten. Maar net toen hij dacht dat ik het wel alleen afkon, ging het mis.” Een achteruit schaatsende pastoor viel bovenop haar. Been gebroken. „Mijn vader heeft me naar een collega van hem gebracht. Een orthopeed.” En toen? „Nou gewoon, die heeft er gips omheen gedaan.” Een hand ter hoogte van haar heup en een bij haar enkel, om aan te geven hoeveel gips ze had. „M’n vader sneed er telkens een reepje af.”

De ijsbaan in Amsterdam ging dicht, het enig alternatief was schaatsbaan Hokij in Den Haag. Een kunstijsbaan. Haar vader reed haar doordeweeks, en in het weekend, als hij dienst deed, ging ze met haar moeder. „Met de bus van busonderneming Maarse en Kroon.” Samen logeerden ze dan bij een tante. „En weet je waar die woonde? In de straat waar Joan op school zat.” Joan Haanappel, die andere grote Nederlandse kunstschaatster en bijna zeventig jaar haar vriendin. Waren er nog broers en zussen? Jawel, zegt Sjoukje Dijkstra. „Een broer.” Ouder dan zij. Hij deed aan hardrijden en heeft ook nog even geijsdanst. „Hij had talent, maar was lui.”

Mijn broer had ook talent, maar hij was lui

Haar broer zat ook in het vrachtvliegtuig dat Sjoukje en Joan, toen 9 en 10 jaar oud, naar Engeland vloog om daar te trainen. „Maar hij wilde alleen maar spelen en rottigheid uithalen.” Hij ging terug, zij bleef. In huis bij een Engels gastgezin. „Geen prettige mevrouw. Nee, gezellig was het er niet. Niet zo schoon ook. De kamer met de telefoon draaide ze op slot, en koken kon ze niet.” Geen sprake van dat ze daarover klaagde. „Als ik het mijn ouders had verteld, hadden ze me daar weggehaald. En dat wou ik niet. Het schaatsen was zo heerlijk.” De ijsbaan was vijf minuten verderop. Ze kon erheen lopen, alleen. Zes uur trainen, elke dag. Drie uur verplichte figuren, drie uur vrij rijden.

Voor haar vader was het een uitkomst, zegt ze, dat ze in Engeland trainde. Het scheelde hem halen en brengen, en een heleboel geld. Haar schoolmeester gaf haar huiswerk mee, en in de zomervakanties haalde ze de lessen in. „Later had mijn vader twee medicijnenstudenten die stage bij hem liepen en mij hielpen als ik thuis was.” Maanden van huis, urenlang trainen, een kil gastgezin, het klinkt als een akelig wintersprookje. Zeker als ze vertelt hoe koud het soms was. „In Davos trainden we in de buitenlucht. Vijftien, soms achttien graden onder nul. Als je nog wilde bewegen op het ijs, kon je niet veel kleren aan. Stonden alle kinderen naar elkaar te kijken wie er het eerst van het ijs zou gaan om z’n tenen te warmen.” Zij lacht erbij. „Niks erg. Je went aan alles.” En bovendien, zij wilde dit zelf.

„Hard werken hoort bij de sport. Focus, discipline, goed op jezelf letten. Alleen dan word je goed.”

Ze heeft niet het idee dat ze ooit iets heeft gemist. „Ik zeg het ook wel tegen de jonge schaatsers: op hoog niveau kunstschaatsen kan je alleen nú. Naar de disco kun nog tot je tachtigste.” Samen met Joan Haanappel bestiert ze de Stichting Kunstrijden Nederland, waarmee ze doen wat schaatsbond KNSB volgens hen nalaat: jonge kunstrijders helpen de top te bereiken. Ze schudt haar hoofd van nee. Ze heeft nooit trainer willen worden. „Ik heb het geduld er niet voor. Met mezelf had ik dat wel, maar ik erger me snel als het een ander aan discipline ontbreekt. Tegenwoordig denkt de jeugd dat ze er al zijn als ze een keer Nederlands kampioen worden. Onzin. Dan heb je nog een lange weg te gaan.

Holiday on Ice

Zij reed op haar veertiende haar eerste Olympische Spelen, in 1956. Ze werd twaalfde. De keer erop, in 1960, won ze zilver. In 1962 werd ze voor het eerst wereldkampioen. En toen vond haar vader het tijd om te stoppen. „De dure lessen, het reizen, hij had er niet zoveel zin meer in en stopte met betalen.” Zij wel. De twee jaar tot aan de volgende Spelen heeft het Olympisch Comité haar geholpen en dat resulteerde in goud. 1964 werd het jaar waarin Sjoukje alles won, én het jaar waarin haar vader overleed. Een verkeersongeluk. Sjoukje was op rondreis door Europa om als medaillewinnaar overal demonstraties te geven. Daar verdiende ze niks mee. Alleen amateurs mochten meedoen aan de Olympische Spelen, en wie tegen betaling optrad, gold als professional. Ze stopte met haar sportcarrière en tekende een contract bij Holiday on Ice.

Sjoukje Dijkstra op schaatsen in de jaren 60.

Ze zegt het weer. „Je went aan alles.” Ook aan elf en een halve maand per jaar optreden, met elke dag van de week één show, op donderdags twee optredens en op zaterdag en zondag drie. Met alle artiesten in de trein naar Parijs of Berlijn, en ’s avonds op het ijs. „Ik schaatste op tijden waarop ik voorheen in bed moest liggen.” Van haar bij elkaar gespaarde gage kocht ze haar eerste, eigen auto. „Een Porsche”, zegt ze en lacht er bij. Toen ze later één van de twaalf poedeltjes uit de hondenact onder haar hoede nam, kocht ze een kleine caravan. „Geen gezicht natuurlijk. Zo’n sportwagen met een caravan erachter.” Maar mooi dat ze nu haar eigen bedoening had.

Applaus

Ze wende ook aan haar rol als showmeisje, al was die haar van nature vreemd. „Valse wimpers of make-up, ik wist me er geen raad mee.” De pakjes die ze altijd op wedstrijden had gedragen, waren door haar moeder gemaakt. „In de kleedkamer naast me zaten vier solisten. Ze konden niet veel, maar het waren prachtige showgirls. Zij leerden me hoe ik me kon opmaken en presenteren, en zeiden wat ik moest doen om meer applaus te krijgen.” Haar beste vriendin Joan Haanappel verving haar toen ze viel en haar knie blesseerde. „De dokter zei: het is je meniscus, dat wordt niks meer. Zo negatief. Ik zei: doe dat been nou maar in het gips. Toen was het na een paar weken over.” Ze was ervan overtuigd dat ze in de tussentijd haar plek bij Holiday on Ice kwijt zou zijn. „Ik was geen showtype, Joan wel. Ik dacht: ze sturen me vast weg.” Dat gebeurde niet, ze schaatste acht jaar bij de show en leerde er haar echtgenoot kennen, die een lachnummer met muilezels op het ijs verzorgde.

Na 1972 heeft ze geen pas meer op het ijs gezet. Ze koos voor een circusleven met Karl Kossmayer. Ze kookte, verzorgde de dieren, kreeg twee dochters (Rosalie en Katja) en ging waar hij een contract kreeg. „Hij zei altijd: ‘Ik krijg jou wel weer op het ijs.’ Ik vond het heerlijk om de beesten te verzorgen en zo mooi mogelijk te maken, maar zelf wilde ik niet meer optreden voor publiek. Jaren heb ik het met veel liefde gedaan, maar ik had het gehad. En je moet er ook geen hekel aan krijgen.”