Interview

De werkelijkheid is een schaduw

Roger Ballen werd beroemd met portretten van Afrikaners. Daarna verdwenen gezichten uit zijn werk. „Er werd gekeken naar de mensen in plaats van naar de foto’s.”

‘Deze polaroids geven een soort weerwoord op wat er aan de hand is in de fotografie. Veel foto’s worden opgeblazen, alsof het idee is: hoe groter hoe beter. Iets wat niets is, wordt daarmee opgeblazen tot nog meer niets. Ik wil juist kleinere foto’s, dan gaan mensen beter kijken.”

De al ruim dertig jaar in Zuid-Afrika wonende Amerikaanse fotograaf Roger Ballen (1950) is enkele dagen in Nederland om de opening van een tentoonstelling van zijn werk in de Amsterdamse galerie Reflex bij te wonen. Het is een soort overzicht geworden van de foto’s die Ballen in de jaren zeventig maakte tot en met zijn laatste project: kleurenpolaroids. De kleine kleurenfoto’s zijn een opvallende stap voor de fotograaf die in volle overtuiging altijd alleen zwart-wit fotografeerde.

„Je kan alleen kleur gebruiken wanneer je dat op een abstracte manier doet. Als je kleur aan het toeval overlaat, gaat het fout. Als groen alleen maar aanwezig is omdat het gras op de foto groen is, dan levert dat onvoldoende op. Dat is oppervlakkig”, legt Ballen uit. Het typeert zijn moeizame verhouding met de werkelijkheid, die hij zelf omschrijft als een „geordende chaos”.

In de jaren zeventig begon Ballen met het fotograferen van straatbeelden, vaak nog op verschillende continenten. Toen hij zich in 1982 als geoloog in Johannesburg vestigde, maakte hij foto’s van het platteland. Die werden verzameld in de boeken Dorps (1986) en Platteland (1994). Op die laatste kreeg hij indertijd veel kritiek: de portretten van witte Afrikaners waren weinig flatteus. Ballen toonde portretten van een groep die aan de rand van de samenleving stond, en hem werd verweten te zwelgen in armoede en bijna inteelt-achtige koppen. Hierna werd zijn werk abstracter. De geportretteerden werden in een nadrukkelijker geënsceneerde setting geplaatst, het dier (katten, ratten, vogels) kreeg een opvallende plek. Outland (2000) was al abstracter, zijn foto’s verzameld in Shadow Chamber kregen zelfs de omschrijving ‘psychodrama’s’. De gezichten van de geportretteerden verdwenen, en wat een ander normaal als achtergrond ziet kwam nadrukkelijker naar voren.

Naast foto’s maakt Ballen ook video’s en installaties. Soms zijn het hele huizen die hij kan omzetten tot een kunstwerk. Wie die huizen binnengaat, betreedt een theater van angst. Ballens werk ontwikkelde zich van nostalgisch, naar confronterend, naar angstwekkend: de portretten zonder gezicht zijn ronduit angstaanjagend. De ontwikkeling is te volgen in het nieuwe boek Ballenesque.

U begon uw werk met stadsgezichten, daarna werden het foto’s van witte Afrikaners die uitgestoten zijn en vergeten. Maar toch besloot u dat los te laten. Uw werk werd in 2005 abstracter – de gezichten verdwenen. Wat is er toen gebeurd?

„Niks. Je moet er ook niks achter zoeken. De gezichten verdwenen in de eerste plaats omdat het gewoon zo gebeurde. Kunst is mijn dagboek, dus wat er gebeurt, zie je terug. Het was geen marketingoverweging, maar gevolg van het feit dat ik altijd op zoek ben naar nieuwe beelden. Een andere reden was wel: ik werd moe van de telkens terugkomende vragen die ik moest beantwoorden: ‘wie zijn dit? Vindt hij dat hij er mooi op staat? Is hij arm? Is hij gek?’ Er werd helemaal niet gekeken naar de enscenering. Al mijn foto’s zijn duidelijk composities. Als ze me vroegen: wie is dat, dacht ik elke keer: kijk even naar de omgeving, die is er niet voor niets. Er werd gekeken naar de mensen, in plaats van naar de foto’s.”

U kreeg veel commentaar op de portretten van de witte Afrikaners. Bent u ook van de portretten afgestapt om minder politiek geduid te worden?

„Mijn werk is niet politiek.”

Maar het wordt wel zo geïnterpreteerd. Dat kan een reden zijn om abstracter te gaan werken.

„De portretfoto’s werden gezien als commentaar op de apartheid: een groep die ooit de privileges had, maar nu niets meer voorstelt. Ik zou met de foto’s de wereld daarop hebben willen wijzen. Toen mijn foto’s abstracter werden, speelde die kritiek inderdaad minder. Maar waar het vooral om gaat is dat mijn werk een evolutie is: er komt telkens wat bij.”

Angst speelt een steeds belangrijker rol, zeker in het werk vanaf 2005 met Shadow Chambers. U bent wel omschreven als ‘ingenieur van de angst’.

„Angst is iets wat mensen er zelf in stoppen, ik kan dat niet uitbeelden. Als mensen mijn werk angstaanjagend vinden, zegt dat meestal iets over henzelf. Het leven is alleen maar het leven waar mensen hun angsten op projecteren. Angst is voor iedereen zo verschillend, dat het nooit een onderwerp op zichzelf kan zijn.”

Als in bijna elke analyse van uw werk geschreven of gezegd wordt dat uw werk over angst gaat, moet het toch iets meer zijn dan projectie?

„Misschien wordt dat zo omschreven omdat mijn foto’s chaos uitbeelden, en er zit ook een element van de dood in dat wellicht angst aanjaagt. Het zijn culturele en religieuze verwijzingen die angst aanjagen. Ik vond en vind nog steeds dat mijn foto’s niet te definiëren zijn. Wat ik wil is het bewuste en het onbewuste laten samenkomen.”

Is dat samenkomen van die twee de reden dat uw relatie met de werkelijkheid een moeizame lijkt?

„Als fotograaf moet je accepteren dat de werkelijkheid niet is vast te leggen. Alles draait om interpretatie. Ik zal de werkelijkheid nooit begrijpen. Ik praat nu. Jij luistert. Wat gebeurt hier? Hoe moet ik dit interpreteren? Geen idee. Ik hou mezelf voor de gek als ik zeg dat ik het begrijp. Ik probeer het enigszins te hanteren. Ik probeer de werkelijkheid te begrijpen, maar het raadsel verplaatst zich steeds. Naarmate ik ouder word, krijg ik er meer greep op. Ik heb het geluk dat ik mijn foto’s parallel kan laten lopen met de dingen die zich in mijn hoofd afspelen. In foto’s manifesteert zich mijn persoonlijkheid, op een abstracte manier, al wil ik voorzichtig zijn met het woord abstract. De werkelijkheid is een schaduw. Dat is geen antwoord op je vraag misschien, maar dit is wel het echte antwoord.”

In ‘Ballenesque’ schrijft u over het belang van waarachtigheid. Hecht u daar meer aan dan de absurditeit?

„Waarachtigheid is absurditeit. Ik bedoel: absurditeit is de conclusie van waarachtigheid. Te veel fotografen willen een beeld geven van de werkelijkheid, zijn erg gericht op het nu. Maar dat is niet waar het om gaat. Het gaat om wat er over blijft wanneer dat contemporaine eraf is. Dan blijft het absurde over.”

Samuel Beckett is een belangrijke inspiratie voor u geweest. Welke foto’s van u zal hij het meest gewaardeerd hebben?

„Ik denk de foto’s uit Outland, die foto’s gaan het meest over de condition humaine. Het is ook mijn meest minimalistische periode, waarin het oog voor absurditeit het duidelijkst naar voren komt.”

Is de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge een inspiratiebron voor uw video’s?

„Ik heb geen inspiratiebronnen. Ik heb twee inspiraties: natuur en mijn eigen gedachten, verder niets. Ik voel me aangetrokken tot art brut, Rembrandt, Vermeer, rotstekeningen. Ik heb niets met Andy Warhol en niets met dingen die rechtstreeks ingaan op contemporaine problemen.”

Wat is er mis met Andy Warhol?

„Ik weet wat hij wil, maar hoe vaak moet ik naar dat trucje kijken, hoe vaak moet ik kijken naar Marilyn Monroe? Ze interesseert me niet en ook niet wat ze representeert, dat is een weinig diepgaand concept. Alleen al een Afrikaner jongen die op de muur tekent, heeft meer te bieden dan Andy Warhol.”