Recherchewoordenboek voor straattaal

In deze krant stond laatst een vreemd straattaalwoord: pikieuw. De politie vond het in gehackte berichten tussen twee criminelen uit de Amsterdamse cocaïnewereld: een Pakistaanse en een Marokkaanse Nederlander. Zij maken deel uit van een bende die vissers uit Urk dwong om cocaïne te vervoeren.

In een van de gehackte berichten staat dat er „een team pikieuw” klaarstaat „voor het geval er iets fout gaat”. Bij de rechtszitting verklaarde de officier van justitie dat team pikieuw „nog niet in het recherchewoordenboek voor straattaal” voorkomt, maar dat het vermoedelijk ‘moordcommando’ betekent. Pikieuw zou het geluid van afgevuurde kogels nabootsen.

Die verklaring lijkt mij aannemelijk. Zelf heb ik, toen ik nog verkleed als cowboy tegen indianen vocht, vaak het geluid van pistool- en geweerschoten nagebootst. Naast pang, pang riepen wij zoiets als pieuw, pieuw.

De straattaal is de laatste jaren aan het veranderen. In de jaren tachtig en negentig was de invloed van het Antilliaans en het Surinaams er het grootst. Doekoe voor ‘geld’ komt bijvoorbeeld uit het Surinaams; inmiddels is het algemeen bekend.

De afgelopen tien jaar wordt de invloed van het Turks en Marokkaans steeds groter. In die tijd is ook de macht van Turkse en Marokkaanse bendes steeds groter geworden. In dossiers van de politie duiken geregeld interessante woordenlijstjes op, met woorden uit allerlei groepen.

Hier enkele voorbeelden. Agga: Den Haag. Barkie: 100 euro. Bempie: BMW. Blakka: zwart. Broeia: moeilijk. Damsko: Amsterdam. Dede gaan: dood gaan. Fakka: hoe gaat het? No spang: maak je niet druk. Osso: thuis. Plakka: kentekenplaten. Scotoe: politie. Takki: praten. Waggie: auto.

De Amsterdamse politie houdt geen straattaalwoordenboek bij. De meeste Amsterdamse politieagenten en rechercheurs zijn goed op de hoogte van de straattaal, bleek bij navraag, maar er wordt niet op papier of op intranet een woordenlijst bijgehouden. Wel moeten politieagenten tijdens hun opleiding een boek over straatcultuur doornemen; daarin wordt aandacht aan straattaal besteed.

Pafferik

Ooit heeft de Amsterdamse politie overigens wel een lijst van straattaalwoorden samengesteld. Dat gebeurde in 1906. Het gaat om een boekje getiteld De Boeventaal. Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte, met een voorwoord van de politiecommissaris W.L.H Köster Henke (1862-1947). Het bevat 1.420 woorden en uitdrukkingen, vooral uit het jargon van inbrekers, dieven, zakkenrollers en prostituees. Voor ‘pistool’ of ‘revolver’ vinden we er knappert, blaffer(t) en pafferik – allemaal klanknabootsend gevormd. Een ‘geweer’ werd een spuit genoemd, een ‘revolver die geen geluid maakt’ noemde men indertijd in de boeventaal een knappert die niet schreeuwt.

Het Bargoens is de taal, schreef Köster Henke in het voorwoord, van beroepsmisdadigers. Voor politie en justitie is het noodzakelijk om die taal te begrijpen. Misdadigers zijn zo beter aan te pakken. En mogelijk zou het zelfs misdaad kunnen voorkomen.

Köster Henke had graag gezien dat alle dienders in Amsterdam een exemplaar van De Boeventaal zouden krijgen. Tot zijn teleurstelling gebeurde dat niet. Dat kwam doordat er in die jaren streng werd bezuinigd. Hoewel het boekje slechts veertig cent kostte, wilde de Amsterdamse politie dat er niet aan uitgeven.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders