Column

Die haas lag goed in de markt

Column Joyce Roodnat

De dode haas lag goed in de markt en Jan Weenix was geen dief van zijn eigen portemonnee, hij schilderde er meer.

Hé, die haas ken ik. Laat zeventiende-eeuws en zeer beroemd. Hij hangt ondersteboven aan één achterpoot te versterven. Een oerbeeld, een memento mori. Waanzinnig mooi geschilderd, door Jan Weenix, in 1701. Of in 1706. Of zonder jaartal. Want hij hangt hier drie keer.

Jan Weenix, Jachtbuit met haas, 1706. Foto Bucerius Hamburg

Ik zie Weenix’ hazen in Hamburg, in het Bucerius Kunstforum, op een tentoonstelling over de zeventiende-eeuwse Hollandse kunsthandel: Die Geburt des Kunstmarktes. De haas lag goed in de markt en Weenix was geen dief van zijn eigen portemonnee, hij schilderde er meer. Maar dit zijn geen kopieën, het zijn drie originele schilderijen, met de haas telkens net een beetje anders in een ogenschijnlijk gelijk maar gewiekst in een heel ander decor. En elke keer worden de hazenogen doder.

Het is een spannende tentoonstelling, met prachtig werk dat bestaat omdat de burgerij het wilde kopen en wist wat ze wilde. Boerenhutten moest je hebben van Hobbema, voor een bergbeek mikte je op Ruisdael. Wilde je koeien, dan liefst van Paulus Potter. En dat snap ik zo goed. Ik word betoverd door een stiertje van hem, een persoonlijkheid op poten. Een suppoost schiet toe, fluistert: „Ihre Nase ist zu nahe.”

Zonder geld geen kunst. Maar dat wil niet zeggen dat een kunstwerk alleen deugt als er heel veel geld mee gemoeid is. De veiling van Da Vinci’s Salvator Mundi die uitmondde in een wedstrijd met 340 miljoen euro als hoofdprijs, was hysterisch. En nu lees ik over de installatie van de rijzende ster Camille Henrot in Parijs. De voornaamste aanbeveling is dat zij er tonnen euro’s voor wist weg te halen bij gretige kunstinstellingen en verzamelaars. Dat is een goed onderwerp, maar ik verwacht meer van een kunstwerk. Het moet geldig blijven, liefst eeuwen lang. Anders is het een hype.

Kunsthandel is windhandel geworden. Een egomane parasiet, als je niet uitkijkt. Maar dezer dagen geldt het grote geld als voedster van de kunst. Ook Beatrix Ruf, de opgestapte directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, denkt er zo over en haalde dankzij haar contacten internationale grote namen naar het Stedelijk Museum: Ed Atkins, Seth Price, Jordan Wolfson. Maar die namen waren al groot. Ik heb als volgende Stedelijk-directeur liever iemand die niet volgt, maar vooropgaat. Die niet naïef is maar die er wel lak aan heeft dat iemand in de mode is. Die de gemoederen verhit, maar niet met de gloed van de grote bedragen.

Dan missen we de boot! klinkt het zorgelijk. Och wat. Het Stedelijk heeft nog altijd een enorme reputatie en die gaat terug op de eigenwijze keuzes van zijn eerste directeur, Willem Sandberg. Die reputatie is in gevaar. Maar zij zal weer groeien als een onstuimige directeur de kans krijgt te beslissen welke boot er best gemist kan worden en welke beslist moet worden gehaald.