Cambodjaanse weeshuizen zijn er voor de westerling

Weeshuisindustrie

Het aantal weeshuizen in Cambodja groeit enorm. Westerse vrijwilligers leveren veel geld op – en ouders laten vaker hun kind buitenshuis opgroeien. De regering wil daar nu wat aan doen.

In weeshuis Chea Sim in Siem Reap worden baby's en peuters in hangmatten geplaatst, zodat ze niet in de weg liggen. Foto Jerry Redfern/Getty Images

De beheerder van het weeshuis, Pen Veasna, loopt met zijn vinger de lijst met namen langs. In zijn werkkamer staat donkerhouten meubilair en de luiken blijven er dicht om de zon buiten te houden. De echte wezen in dit tehuis zijn op één hand te tellen, zegt Pen Veasna. Maar er wonen ongeveer 130 kinderen.

Van de meeste kinderen weten ze dat vader, moeder of soms allebei nog in leven zijn, zegt Pen. „Sommige ouders verlaten hun kinderen, beloven nog dat ze geld zullen sturen, maar komen dan nooit meer terug.”

In Cambodja is een wees meestal geen wees en niemand kijkt daarvan op. Uit onderzoek blijkt dat vier op de vijf kinderen in weeshuizen in elk geval één van beide ouders nog heeft.

Toch is het aantal weeshuizen er in een paar jaar tijd abnormaal snel gestegen. Van 2005 tot 2015 nam het aantal bij de overheid geregistreerde weeshuizen toe van 154 tot 254. Veel weeshuizen werken liever buiten beeld van de autoriteiten, dus het werkelijke aantal ligt hoger. Unicef ging begin dit jaar op onderzoek uit en noteerde ruim 400 instellingen, met opgeteld bijna 17.000 kinderen.

Mentale schade

Het probleem is dat jongeren in weeshuizen vaak serieuze mentale schade oplopen. Dat geldt ook voor de kinderen in het staatsweeshuis van Pen Veasna, ook al ziet het er ontspannen uit. Op het veld trappen wat kinderen een balletje. Een ander groepje hangt licht verveeld in de schaduw die de grote, houten paalwoningen op het terrein hun bieden. Ze klimmen in en op elkaar en gluren giechelend naar het bezoek.

Ze zijn verwaarloosd, vertonen vervelend gedrag en luisteren niet goed, vertelt Pen Veasna. „Het is moeilijk grip op hen te krijgen. Ze hebben warmte en liefde nodig. We proberen ze hier zoveel mogelijk bij te brengen om het leven goed aan te kunnen.” Sommigen zijn al in de twintig en wonen nog steeds in het tehuis, omdat ze niet voor zichzelf kunnen zorgen.

Hulporganisaties als Unicef, Save the Children en de Amerikaanse ontwikkelingssamenwerkingsclub USAID proberen al jaren het aantal kinderen in weeshuizen omlaag te krijgen. Maar pas vorig jaar hebben ze het ministerie van Sociale Zaken in Cambodja zover gekregen mee te werken. Het doel van de overheid is dat het aantal weeskinderen vóór 2019 met 30 procent moet zijn gedaald. Die kinderen moeten linksom of rechtsom terug naar een gezin, of dat nu de ouders zijn, grootouders of een oom of tante in een kleine gemeenschap.

Bescherming van de jeugd kreeg hier nooit prioriteit, zegt Bruce Grant van Unicef, hij werkt vanuit de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh. „Nu zien we vooruitgang, de overheid doet echt moeite kinderen terug naar huis te krijgen.” Unicef helpt mee en begeleidt maatschappelijk werkers om te kijken wat nodig is om een kind terug te laten gaan.

Maar waarom nemen ouders überhaupt zo’n besluit? Ze worden erin gepraat, zegt Bruce Grant. Hij geeft een voorbeeld van een vrouw die op de begrafenis van haar echtgenoot werd benaderd door een vreemde man. „Zij was emotioneel en hij speelde daar handig op in. Hoe moet dat nu verder, je hebt vijf kinderen! Als je de jongste drie nu eens aan mij mee geeft? Dan krijgen ze goed te eten en kunnen ze naar school.”

Dat laatste, naar school gaan, valt in de praktijk dan tegen. Lang niet alle weeshuizen zijn betrouwbaar. Private weeshuizen zijn vaak alleen maar opgericht omdat er geld mee te verdienen valt.

Westerse vrijwilligers komen de kinderen graag een paar weken helpen, met Engels, rekenen of computerles. Daar betalen ze soms honderden dollars voor, in Cambodja zijn het vaak Amerikanen of Australiërs.

Zie ook deze reportage van The New York Times uit 2014 over ‘nepweeshuizen’:

Als het meezit zamelen die vrijwilligers thuis ook nog geld in voor het ‘goede doel’, voorafgaand aan hun reis of als ze terug zijn. Sommige weeshuizen hebben zelfs een lijstje met bedragen online staan: ‘voor 500 dollar kunnen 25 kinderen een maand rijst eten’.

De overheid kijkt wel uit westerlingen de schuld te geven van dit perverse effect. „Met de beste bedoelingen bieden donoren steun en geld, zonder zich bewust te zijn van de alternatieven voor kinderopvang”, schrijft het ministerie van Sociale Zaken in een onderzoek naar de weeshuisindustrie.

Poetsinstructies

Los van zulke wanpraktijken is het in Cambodja sociaal meer geaccepteerd dan in westerse landen je kind buitenshuis te laten opgroeien. Kinderen kunnen ook naar pagoda’s, waar monniken wonen. Daar krijgen ze ook onderwijs en onderdak als ouders weinig geld hebben. „Als je echt omhoog zit, amper geld hebt en geen steun van je omgeving krijgt, is een weeshuis best een logische keuze. En het is maar tijdelijk, denken veel ouders”, zegt Bruce Grant van Unicef.

Cambodja’s bloedige verleden maakt volgens hem ook deel uit van de verklaring. Ouders die nu jonge kinderen hebben in de schoolgaande leeftijd, zijn zelf vaak opgegroeid zonder veilig gezin. Hún ouders werden vermoord tijdens het gewelddadige bewind van Pol Pot. „Een goed voorbeeld hebben ouders van nu nooit gekregen.”

Uit onderzoeken blijkt dat voor veel ouders hun eigen armoede de belangrijkste reden is hun kind uit huis te doen. Zou een sociaal vangnet voor de allerarmsten dan niet heel wat oplossen? Daar hoef je bij de Cambodjaanse monnik Muny Vansaveth niet mee aan te komen. „De politieke wil ontbreekt totaal om de armoede aan te pakken. Dat is absoluut de oplossing niet.”

NRC-medewerker Anouk Eigenraam, zelf geadopteerd uit Zuid-Korea, kwam er op zoek naar haar familie achter dat er heel wat mis gaat bij internationale adopties.

Serene sfeer

Muny runt al 25 jaar een weeshuis tussen de groene rijstvelden in het westen van Cambodja, De kinderen zijn naar school, er hangt een serene sfeer. Achterin bij de keuken hangen hun tandenborstels gebroederlijk in houdertjes boven de wasbak, een sticker met naam of letter erbij. Aan de muur een poster met poetsinstructies.

Monnik Muny vindt het nieuwe regeringsbeleid om kinderen uit de tehuizen terug in een gezinssituatie te krijgen schandalig. Zeker, hij kent ook verhalen van slechte weeshuizen. In de buurt zit er eentje waar de kinderen dansuitvoeringen moeten instuderen voor toeristen, vertelt hij.

Maar volgens Muny heeft de overheid niet goed genoeg nagedacht over wat het eigenlijk betekent, dat de kinderen ‘terug naar hun gemeenschap’ moeten. In de dorpen waar de kinderen zouden moeten reïntegreren leeft niet genoeg verantwoordelijkheidsbesef, zegt hij. „Die gemeenschappen zijn er mentaal niet klaar voor en ze hebben ook het geld niet om goed voor hen te zorgen. Het klinkt als aardig beleid, maar het is gevaarlijk.” Volgens hem vertrekken de kinderen gewoon naar Thailand om daar te gaan werken.

Als Muny’s opvattingen een beetje representatief zijn voor de rest van de weeshuizen, wordt het doel van 30 procent minder kinderen nog lastig. De monnik is namelijk niet van plan om de kinderen die nog bij hem wonen, terug naar hun dorp te sturen. Ze mogen bij hem blijven tot ze zelfstandig kunnen leven, zegt hij.

„Soms gaan ze tijdens de vakanties een paar weken naar huis, of de ouders komen hier langs. Voor wat quality time. En dan begrijpen ze meteen een beetje hoe we hier werken.”