Vooral zwakke leerling leest in Nederland relatief goed

De Nederlandse leerlingen scoren weliswaar nog steeds bovengemiddeld, maar vooruitgang ontbreekt.

Nederland besteedt internationaal gezien relatief veel uren aan leesonderwijs. Foto FatCamera

Het leesniveau van Nederlandse basisscholieren is de afgelopen vijftien jaar niet verbeterd. Op een gezaghebbende internationale ranglijst zijn ze door scholieren uit tal van landen voorbijgestreefd. Nederland daalde van de tweede positie in 2001 naar de veertiende plaats.

Dat blijkt uit de Progress in International Reading Literacy Study (Pirls), die deze dinsdag is verschenen. Dit gezaghebbende onderzoek naar begrijpend lezen wordt elke vijf jaar gehouden onder leerlingen uit groep zes van de basisschool. Aan de jongste studie nam een vijftigtal landen deel.

Vooruitgang ontbreekt

De Nederlandse leerlingen scoren weliswaar nog steeds bovengemiddeld, maar vooruitgang ontbreekt, stellen de onderzoekers vast. Opmerkelijk is dat het verschil tussen de 5 procent sterkste en de 5 procent zwakste lezers nergens zo klein is als in Nederland. Vooral zwakkere leerlingen doen het verhoudingsgewijs goed.

Op de jongste Pirls-ranglijst scoort Rusland verreweg het hoogst, met daaronder Singapore, Hongkong, Ierland en Finland. In Rusland haalt 28 procent het hoogste niveau, in Nederland is dat 8 procent, waar dat in 2001 nog 6 procent was.

Joyce Gubbels, onderzoeker bij het Expertisecentrum Nederlands, dat het Nederlandse deel van de test uitvoert: „In Nederland haalt iedereen het laagste niveau wel. Maar er zijn niet zoveel leerlingen die echt uitblinken, zeker in vergelijking met andere landen die ongeveer het zelfde scoren.”

Potentieel blijft liggen

Gubbels, gepromoveerd op de ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen en de rol van plusklassen in de basisschool, stelt vast dat het Nederlands onderwijs te weinig werk maakt van leerlingen met veel potentieel: „Hoogbegaafden mogen wel andere dingen doen in de klas, maar ze moeten het zelf uitzoeken. De leerkracht is dan met een andere groep bezig is. Als je zonder begeleiding iets doet, leer je niets nieuws.”

De extra mankracht voor bijspijkeren (remediërend onderwijs) richt zich vooral op zwakkere leerlingen. Voor extra ondersteuning van sterke leerlingen zijn meer mensen nodig, concludeert Gubbels.

De onderzoeker vermoedt dat het geringe aantal excellerende leerlingen mede verband houdt met onderwijs dat minder prestatiegericht is. „Ze moeten ook veel andere dingen, zoals creatief zijn, samenwerken.”

Leesplezier is gering

Nederland besteedt internationaal gezien wel relatief veel uren aan leesonderwijs. Maar het leesplezier, de motivatie om te lezen, is daarentegen gering, blijkt uit vergelijkend onderzoek van de OESO, de organisatie van geïndustrialiseerde landen. Hoe dat komt, is niet duidelijk. Gubbels: „Sommigen zeggen dat Nederlandse leerlingen de vragen eerlijker invullen dan elders.” Als andere mogelijke verklaring noemt ze afleiding thuis; Nederlandse leerlingen hebben veel computerspelletjes en digitale apparatuur.

In de klas heeft invoering van computers en tablets de leesvaardigheid niet verbeterd. Volgens het regeerakkoord moet het basisonderwijs meer aandacht besteden aan digitale geletterdheid en digitale strategieën.

Waar de prestaties van Nederlandse leerlingen in het basisonderwijs tenminste nog gelijk blijven, blijken die bij 15-jarigen licht dalend. Volgens de internationaal vergelijkende Pisa-test zakt hun leesvaardigheid sinds 2003 al. Gubbels: „Vooral in het vmbo.” Daar zou sprake kunnen zijn van het wegzakken van leeskennis.